Zoeken

Resultaat 11 tot 20 van 22.

Sturen op lichtonderschepping in de eerste teeltfase snijbloemen

Snijbloemen zoals lisianthus en lelie hebben een relatief lange beginfase waarin licht niet effectief onderschept wordt. De planten zijn nog klein en de bladeren nog niet goed uitgevouwen, waardoor veel licht verloren gaat. Sturen op een betere bladspreiding geeft een effectievere lichtonderschepping de verdamping, waardoor het calcium-transport naar de cellen van de jonge bladeren toeneemt. Dit voorkomt mogelijk het optreden van brandkoppen. Met lichtkleur( o.a.de juiste golflengte blauw) kan er effectief mee op bladspreiding gestuurd kan worden. Een belangrijke onderzoeksvraag is of eerdere positieve resultaten onder lab-omstandigheden vertaalbaar zijn naar in een situatie in combinatie met daglicht en SON-T licht zoals het geval is in een kas. De hier voorgestelde proef richt zich op lisianthus als voorbeeldgewas en moet een antwoord geven op de vraag of met de juiste stuurlicht-strategie energie (elektra) bespaard kan worden, door een effectievere lichtonderschepping van het gewas. Verder wordt duidelijk wat de neveneffecten zijn: optreden van brandkoppen, lengte gewas en bloeisnelheid. Lisianthus wordt hier gebruikt als voorbeeldgewas, maar er zal in het rapport ook de vertaalslag naar andere gewassen gemaakt worden (zoals lelie). Hiervoor worden in klimaatkamers praktijkomstandigheden voor een lisianthusteelt in de winter gesimuleerd. De eerste weken wordt bijbelicht met blauw stuurlicht in 4 varianten: 1. Controle (geen blauw); 2. Blauw overdag (PAR-som gelijk aan controle); 3. Blauw alleen nacht (PAR-som gelijk aan controle); 4. Blauw dag en nacht (PAR-som gelijk aan controle). Gewasmetingen: Bladspreiding en gewasstand, lengte, groei, teeltduur en optreden van brandkoppen. De gewascoöperatie Lisianthus investeert ondertsteunt dit project met een bijdrage van € 7.200,-. Met blauw licht is de taklengte te sturen bij lisianthus. Dat blijkt uit onderzoek in klimaatkamers van Plant Lighting. Als LED belichting wordt aangeschaft valt aan te bevelen blauw licht apart aan te kunnen sturen. Lisianthus en andere gewassen benutten licht vaak inefficiënt in het begin van de teelt. Sturen op een betere bladspreiding verhoogt de lichtonderschepping van het jonge gewas. Verder kan meer lengtegroei wenselijk zijn bij lisianthus en is preventie van brandkoppen van belang. In dit onderzoek zijn de effecten van blauw stuurlicht op bovengenoemde factoren onderzocht. Onder geconditioneerde is een wintersituatie in de kas gesimuleerd (daglichtsimulatie + SON-T bijbelichting) en zijn twee rassen lisianthus geteeld, waarvan één gevoelig voor brandkoppen. Er waren vier behandelingen waarbij de lichtsom overal gelijk was: (1) controle, (2) + blauw LED-licht dag, (3) + blauw LED-licht nacht, en (4) + blauw LED-licht dag en nacht. Meer taklengte Een effect op brandkoppen is niet gevonden. Vooral blauw in de nacht leidde tot een iets hogere bedekkingsgraad door het gewas. De bladeren bleken zich beter uit te spreiden, maar het effect was niet heel groot. De takken waren uiteindelijk niet zwaarder en zelfs minder zwaar per eenheid lengte. Blauw in de nacht gaf wel meer taklengte. Dit kan gunstig zijn voor lisianthus. Blauw LED-licht tijdens de dag had juist een remmend effect op de lengtegroei. Omdat lange bloemstelen onder de knoppen onwenselijk zijn, zou gedacht kunnen worden aan blauw belichting in de nacht in het begin van de teelt (stimuleren lengtegroei) en later in de teelt juist overdag (compactere bloemstelen onder de knop). Op tijd stoppen met blauw belichten in de nacht voorkomt mogelijk ook de remmende werking op zijtak-uitloop. Sowieso werd het verschil in lengte vooral in de eerste vier weken van de teelt gemaakt. Blauw licht apart aansturen Voor praktische toepassing is het de vraag of een investering in blauwe LED-belichting te verantwoorden is. Alleen als lengte een groot probleem is kan dit overwogen worden. Als toch al geïnvesteerd wordt in LED, valt aan te bevelen de blauwe LED’s apart stuurbaar te maken, zodat op lengte gestuurd kan worden. Projectnummer: 20073

Van 01-05-2018 tot 31-10-2018
Afgerond

Hoe werkt een kalanchoë

Kalanchoë is het op één na grootste product binnen de categorie bloeiende potplanten. Over de bijzondere fysiologische eigenschappen van dit gewas is nog veel onbekend. Behalve dat kalanchoë een korte-dag plant is, kent dit gewas ook twee verschillende vormen van fotosynthese: C3 en CAM. Een aantal fysiologische eigenschappen die bepalend zijn voor een optimale energiezuinige teelt zijn nog niet bekend, of onvoldoende bekend: 1. Wanneer vindt de overgang van C3 naar CAM precies plaats? Of gebeurt dit niet altijd? 2. Kan de tuinder dit moment beïnvloeden met klimaatsturing? 3. Verschilt het moment van switchen van C3 naar CAM ook per ras? 4. Welke fase zet CO2 en licht het meest efficiënt om in groei? Doel van dit project is om een beter begrip van de fysiologie te krijgen en dit geeft tuinders de mogelijkheid om efficiënter licht en CO2 te benutten voor groei. In dit project worden drie verschillende rassen kalanchoë onder geconditioneerde omstandigheden in 4 klimaatkamers geteeld. Er wordt een verschil in RV gemaakt om het moment van switchen te trachten te beïnvloeden (2 units 60% en 2 units 85% RV). Belichting is met kunstmatig daglicht en SON-T onder winterlichtomstandigheden. Wekelijks wordt met geavanceerde fotosynthese-meetapparatuur gemeten aan de verschillende rassen / behandelingen / planten / bladeren al geswitcht zijn van C3 naar CAM. De totale CO2-opname per etmaal in de CAM-fase wordt vergeleken met die in de C3-fase. De kalanchoëtelers financieren 30% van dit project bovenop genoemd bedrag van KaE. RV geeft meer productiviteit Uit het onderzoek blijkt dat een net bewortelde stek CAM-activiteit heeft die afneemt tot twee weken na start korte-dag. Daarna neemt de CAM-activiteit geleidelijk toe. De overgang van C3- naar klassieke CAM-fotosynthese verloopt dus heel geleidelijk. RV bleek weinig invloed te hebben op het moment van overgang, maar een hogere RV (80%) gaf wel meer productiviteit dan 55-60% RV. Tijdens de C3-fase lag de fotosynthese in orde van zo’n 10% hoger en bij de CAM fase tot ca. 26% doordat de huidmondjes verder open staan. De verschillen tussen de gemeten rassen ‘Saja’, ‘Amarillo’ en ‘Siberia’ waren beperkt. De C3-fase was beduidend productiever dan de CAM-fase gerekend in mol CO2 vast gelegd per m2 blad per dag. Forse CO2-besparing De resultaten geven aanleiding tot beperkte besparing aan belichting aan de randen van de dag door de belichting in delen op en af te schakelen. Wel is er forse besparing op CO2 mogelijk door per fase te compartimenteren en dosering aan te passen aan het moment van behoefte vanuit het gewas. Voor de CAM-fotosynthese geldt dat CO2-doseren zinloos is als de huidmondjes dicht zijn. In deze proef waren tijdens de CAM-fase later in de teelt de huidmondjes gesloten tussen ongeveer 10.00 en 14.30 uur. Dit zijn juist de uren dat de zon het hoogst staat, de ramen open staan en CO2-dosering het minst effectief is. Hier kan dus CO2 bespaard worden. Bovenstaande geldt echter alleen voor de CAM-fase en niet voor de C3-fase. Vanuit het oogpunt van CO2-besparing is het dus nuttig om de kalanchoëteelt ook tijdens de korte dag te compartimenteren - de lange dag wordt al in een aparte ruimte uitgevoerd. Door middel van een eenvoudige scheidingswand kan ervoor worden gezorgd dat gedurende het eerste deel van de teelt er wel de hele dag (overdag, dus alleen bij licht) CO2-gedoseerd wordt, terwijl in het laatste deel van de teelt er midden op de dag geen CO2 gedoseerd hoeft te worden en aan de randen van de dag en in de nacht juist wel. Projectnummer: E17006

Van 01-12-2017 tot 01-08-2018
Afgerond

Maximale daglichtbenutting voor minimale belichting bij phalaenopsis

Uit het recent afgeronde onderzoek “Minder belichten Phalaenopsis zonder productieverlies?” blijkt dat niet zozeer de lichtsom van belang is bij Phalaenopsis. Veel bepalender is de timing van de belichting: Het blad neemt CO2 op gedurende ± 15 uur per dag. Gedurende de andere 9 uur er moet voldoende licht beschikbaar zijn. In de periode rondom die uren blijkt een lagere intensiteit (stuur)licht voor voldoende daglengte genoeg, terwijl een kortere daglengte een averechts heeft op de totale CO2 opname per etmaal. Door een dim-strategie toe te passen die afgestemd is op het ritme van de plant, is 32% aan elektra bespaard gedurende de opkweek en afkweek in bovengenoemd onderzoek zonder effecten op de productie. Dit voorstel richt zich op de vervolgstappen: Klimaatkamer: Onderzoek naar besparing in de koeling. Deze periode is nog niet onderzocht vanwege mogelijk negatieve effecten op de bloei. Klimaatkamer: Verdergaande besparing door verschuiven plantritme: Bij de huidige winter-belichtingsstrategie in de praktijk eindigt de cruciale periode, gedurende welke voldoende licht beschikbaar dient te zijn, rond de middag. Veel gratis daglicht blijft zo onbenut. Door volgens een efficiënter schema te belichten kan ±43% (ipv 32%) aan elektra bespaard worden ten opzichte van de praktijk. Toetsing behaalde resultaten tot nu toe in praktijk: De behaalde elektrabesparing zonder productieverlies in het onderzoek 2015/2016 in klimaatkamers is spectaculair. Om toepassing in de praktijk zo snel mogelijk te realiseren is opschaling van klimaatkamers naar een kas van belang. Dat zal plaatsvinden bij Ter Laak. Bijdrage derden: De gewascoöperatie is medefinancier (in kind plantmateriaal n in cash). In de kasproef verschilde het bovengrondse gewicht (blad, stengel en bloemen) en de bloemtakkwaliteit niet tussen de behandelingen, maar was het wortelgewicht wel lager bij de dimbehandeling. Bij één van de vier rassen was het percentage meertakkers significant lager bij de dimbehandeling (-9% bij Jewel). In de klimaatkamerproeven was het percentage meertakkers gelijk. Wel had de controle 0.4-0.9 meer bloemknop op de zijtakken in een kortere teeltduur. Hierbij opmerkend dat in beide proeven kleine verschillen worden uitvergroot doordat tientallen weken achter elkaar de maand december is gesimuleerd. Op basis van de resultaten van beide proeven wordt aanbevolen om bij inpassing van de dimstrategie in de praktijk iets minder de grenzen op te zoeken dan in dit onderzoek gedaan is. Tevens kan het beste worden gedimd op basis van informatie van sensoren die inzicht geven in het dagverloop van de lichtbenutting en/of het huidmondjesgedrag. Hiervoor is reeds een vervolgproject ingezet. Projectnummer: 20041

Van 01-07-2016 tot 01-09-2017
Afgerond

Daglichtbenutting omhoog bij alstroemeria

Het gebruik van de infrarood-werende diffuus coating leidt ertoe dat in de zomer minder gelucht hoeft te worden en dus minder verlies aan CO2 uit de kas. Een besparing van 20% CO2 lijkt de onderzoekers realistisch. Alstroemeria benut het natuurlijke daglicht in voorjaar, zomer en najaar gedurende een groot aantal uren matig tot slecht; m.n. boven de 200 W/m2 instraling. Dit komt door een beperkte huidmondjesopening. Hierdoor wordt de CO2 opname door het blad gehinderd. Sturen op openhouden van de huidmondjes kan dus leiden tot een veel hoger daglicht-rendement. In de alstroemeriateelt wordt nu vrijwel niet gekrijt en nauwelijks geschermd. Maar uit eerder onderzoek blijkt dat er vaak teveel licht is gedurende de zomermaanden. Ook telers bevestigen dat er in de zomer geen handvatten zijn om het klimaat te sturen, waardoor het gewas regelmatig stilstaat. Het lijkt dan soms beter om een klein gedeelte van het licht op te offeren ten bate van een beter klimaat. In dit onderzoek willen de onderzoekers dit bereiken door gebruik te maken van een warmte (infrarood) werende diffuus-coating met hoge lichttransmissie op het kasdek. Dit in combinatie met een andere klimaatsturing. Het diffuse licht is extra gunstig vanwege de open gewasstructuur van Alstroemeria, waardoor het licht diep kan doordringen in het gewas. Door de warmtewerende eigenschappen van de coating kunnen de ramen verder dicht. Hierdoor blijft enerzijds de RV hoger in de kas, waardoor de huidmondjes beter openblijven, en anderzijds gaat minder CO2 verloren via de ramen, zodat de CO2 opname extra gestimuleerd wordt. Dit alles moet de gewas-assimilatie verhogen, zonder dat dat energie kost. Die extra assimilaten worden mogelijk weer benut in de opvolgende periode waarin assimilatie wel energie kost (najaar/winter). Het onderzoek vindt plaats op een praktijkbedrijf. Van twee redelijk vergelijkbare kassen wordt op het dek van één kas een warmtewerende diffuus coating met hoge lichttransmissie en hoge diffusiteit aangebracht. Het klimaat, gewastemperatuur, huidmondjesopening, fotosynthese worden gemonitord. Ook het drooggewicht van de rhizomen wordt gemeten, naast de productie die ook gemonitord wordt na het verwijderen van de coating. Er vindt een go/ no go moment plaats na een maand na aanbrengen van de coating. Bijdrage derden: 16.750,- in kind bijdrage Hermadix, 5.483,- in cash van gewascoöperatie alstroemeria. Alstroemeria benut het natuurlijke daglicht in voorjaar, zomer en najaar gedurende een groot aantal uren matig tot slecht. Vooral boven 200W/m2 instraling (= 300 μmol/m2/s in de kas) stort het lichtrendement voor de fotosynthese bij de bovenste bladeren van het gewas snel in. Dit komt door een beperkte huidmondjesopening. Hierdoor wordt de CO2-opname door het blad gehinderd. Sturen op openhouden van de huidmondjes kan dus leiden tot een veel hogere benutting van het daglicht. In 2016 is met een praktijkmonitoringsproef bij H.W. Tesselaar getracht met een diffuus-coating met hoge lichttransmissie op het kasdek het lichtrendement voor fotosynthese en groei te verbeteren. Wel of niet coaten Het is lastig om een sluitende conclusie over coaten bij alstroemeria te trekken op basis van dit onderzoek. Er zijn verschillende punten die een rol spelen zoals het milde weer, mogelijke rasverschillen en een moeilijk vergelijk met de referentie. Deze worden in het rapport besproken. Samenvattend uit de resultaten kan er wel gesteld worden dat diffuus licht positief is voor alstroemeria. Zwakkere cultivars zullen meer baat hebben bij diffuus licht ter voorkoming van lichtstress dan sterkere cultivars. Een diffuus-coating kan ook werken als een ‘verzekeringspremie’: In zomers met relatief weinig zonnige dagen kost de coating wel geld maar geen productie. Gedurende zomers met veel zonnige dagen levert de coating waarschijnlijk wel meerproductie op. Projectnummer: E16010

Van 01-04-2016 tot 01-04-2017
Afgerond

Belichten naar gewasbehoefte voorstudie met proefgewas lelie

In 2014-2015 is kennis uit een aantal onderzoeken gecombineerd in een ‘totaalconcept energiebesparing’. Uit deze proef bleek dat 45% op elektra bespaard kan worden door een lagere intensiteit belichting te compenseren met CO2 dosering, belichting eerder uit te schakelen bij voldoende daglicht aan begin en einde teelt een deel van de armaturen permanent uit te schakelen de temperatuur op te laten lopen bij voldoende instraling en juist minder te stoken bij heel weinig instraling. Het zwakke punt aan de proef was dat de implementatie van punt 2 en 3 ‘op gevoel’ ging. De hypothese achter beide maatregelen was dat de assimilatenvraag volgens een zoge-naamde ’S-curve’ verloopt. Het minder steile verloop van de helling aan begin en einde van de curve duidt op een lagere behoefte aan assimilaten. Juist op die momenten mag de belichting eerder worden af- en of uitgeschakeld. Helaas is het werkelijke verloop van de S-curve voor lelie onbekend. Het achterhalen van deze ontbrekende informatie is een cruciale voorwaarde voor een gedegen energiezuinige teeltplanning. Bovendien is bepaling van de S-curve voor takgewicht, maar ook voor LAI en bladafsplitsing, een voorwaarde voor berekeningen binnen een kas-gewasmodel. In dit project wordt in de winterperiode voor drie rassen de S-curve bepaald. De metingen zullen plaatsvinden in de praktijk. Wekelijks worden de plantlengte, plantgewicht, takgewicht (vers en droog), bol-gewicht (vers en droog), LAI en aantal bladeren gemeten. Het bepalen van de S-curve is een belangrijke voorwaarde om de belichting af te kunnen stemmen op de behoefte aan de assimilaten. Het bepalen van de S-curve is specifiek voor lelie, maar het principe van belichten op basis van de assimilatenvraag volgens die curve is breder toepasbaar. Denk aan gewassen zoals chrysant, lisianthus, bouvardia en bepaalde potplanten. In eerder onderzoek is aangetoond dat bij lelie 45% elektra bespaard kan worden met nauwelijks kwaliteitsverlies. Dit door onder andere CO2 te doseren en minder te belichten op momenten waarop ingeschat werd dat de assimilatenvraag laag was. De exacte vraag naar assimilaten was niet bekend. Dit onderzoek heeft de werkelijke vraag per teeltweek bepaald: wekelijks is drogestof van verschillende plantorganen en LAI gemeten aan vier rassen en vervolgens zijn groeicurves berekend voor de rassen Oriëntal ‘Robina’, Oriëntal Trumpet (OT) ‘Santander’, LA ‘Brindisi’ en Longiflorum ‘White Heaven’. De lelies zijn in de praktijk zo geteeld dat het maximale takgewicht bereikt kon worden. Minder belichten De eerste kasweken is de assimilatenbehoefte laag en teert het gewas op de bol. Het duurt enige kasweken voordat het blad efficiënt licht onderschept. Lampen kunnen dan gedimd branden en bij voldoende daglicht afgeschakeld worden. De laatste weken nam bij ‘Robina’ en ‘Santander’ het bolgewicht weer toe: in die fase kan minder worden belicht mits dit niet ten koste van de bloemkwaliteit gaat. ‘Brindisi’ en ‘White Heaven’ blijft tot oogst toenemen in takgewicht zonder toename van bolgewicht. Minder belichten in de laatste fase is hier niet aan te bevelen. Deze studie biedt de basis voor het parametriseren van een groeimodel voor lelie. Op basis van zo’n groeimodel kan veel preciezer worden bepaald hoeveel op welke momenten belicht moet worden. Projectnummer: E16004

Van 01-10-2015 tot 31-05-2016
Afgerond

HNT 3.0 Van lichtsom naar assimilatensom

Het hoofddoel van dit project is besparen op elektraverbruik door de belichting af te stemmen op de behoefte van het gewas. Zo wordt niet onnodig belicht en kan vooral in de maanden oktober, november, februari en maart kan door doelgericht te belichten fors bespaard worden op het aantal belichtingsuren. Bij tuinders is niet altijd precies bekend wat de productiviteit van hun gewas is (de assimilatenproductie) en het momentane rendement van de belichting aan de ene kant, en aan de andere kant wat aan de vraag naar assimilaten van het gewas is. Het einddoel van dit traject is dat er een voor de kwekers bruikbare tool komt om aanbod van en behoefte aan assimilaten op elkaar af te kunnen stemmen. Dit door regeling van de belichting (sturen aanbod) en temperatuur (sturen vraag). In dit project wordt in eerste instantie gefocust op tomaat. Er wordt gestart met een globaal ontwerp van de tool en koppeling aan een bestaand platform. Het globale ontwerp wordt aan het einde van deze WP gepresenteerd aan een werkgroep van belichtende tomatentelers en geëvalueerd. Bij positief resultaat kan een vervolgproject worden ontwikkeld voor verdere ontwikkeling en validatie van de tool. Met het model Explorer Kasklimaat is onderzocht of een dagelijkse regeling van de belichting energie bespaart. De seizoensbehoefte aan assimilaten van het gewas is geschat door simulatie van volledig belichte seizoenen tussen 1957-1958 en 2014-2015. Gedurende het belichtingsseizoen verandert de assimilatenbehoefte volgens een vrijwel vast patroon. Dat biedt de mogelijkheid om met behulp van de weersvoorspelling aan het begin van elke dag de belichting zodanig af te regelen dat de productie van assimilaten de behoefte niet overschrijdt. Projectnummer: E15011.02

Van 01-04-2015 tot 01-06-2015
Afgerond

Besparen op elektra bij Phalaenopsis, deel 2

De resultaten van het huidige project 'Minder belichten Phalaenopsis zonder productieverlies' geven concrete aanleiding tot besparen op elektra en minder CO2 verbruik: Voor de opkweek is duidelijk geworden wat de maximale lichtsom is waarbij een blad nog productiever wordt. Ook is aangetoond dat het geven van een hogere lichtsom in de afkweek dan in de opkweek er niet toe leidt dat bladeren meer assimilaten produceren. Dit terwijl de praktijk fors meer belicht in de afkweek (tot 10 mol licht/m2/dag) dan in de opkweek (tot 7 mol). Uit eerder onderzoek van aanvragende partijen bleek al dat het licht in de vroege ochtenduren en in de middag slecht wordt benut (zie Figuur links). Uit dit onderzoek bleek echter dat het simpelweg uitzetten van de lampen op die uren niet werkt en zelfs leidt tot minder assimilatenproductie / productiviteit. Wel lijkt het er sterk op dat de hoeveelheid belichting sterk minder kan in de ochtend en namiddag en tot een besparing van 26% op elektra kan leiden met eenzelfde productie. Het hier aangevraagde onderzoek moet aantonen of dat werkelijk zo is. Er zijn twee strategieën die in dit project getoetst worden: Tijdens de vroege ochtenduren en later in de middag de belichting afstemmen op het behalen van de maximale potentiële bruikbare lichtenergie. Tijdens de vroege ochtenduren alleen een lage intensiteit stuurlicht en later in de middag helemaal geen belichting, omdat het daglicht al voldoende is. Hiermee zou mogelijk 40% op elektra bespaard kunnen worden. De werkzaamheden zijn: Werkpakket 1: Consultatieronde en literatuuronderzoek. Werkpakket 2: Besparing op belichting in de afkweek Go / no go moment Werkpakket 3: Besparing op belichting in afkweek; herhaling en fine-tuning Werkpakket 4: Besparing op belichting in de opkweek tot veiling. De teelt vindt plaats onder geconditioneerde omstandigheden in klimaatruimten, waarbij 8 behandeling worden getoetst. Met geavanceerde Licor 6400 fotosynthese-meetapparatuur worden de patronen van CO2-opname en CO2-verwerking in detail gemeten over het etmaal. Ook zal de plantkwaliteit beoordeeld worden. Bij phalaenopsis is 32% besparing op elektriciteit mogelijk door een betere timing van belichting zonder in te leveren op kwaliteit. Begin 2015 ging het project “Minder belichten phalaenopsis zonder productieverlies II” van start. Hierin is verder onderzocht of door het dimmen van de belichting op de inefficiënte uren in de ochtend en middag elektriciteit bespaard kan worden. Er is onderzoek gedaan met verschillende varianten belichting in acht kleine klimaatcabines met het ras Sacramento. Er waren twee opeenvolgende proefronden waarin werd gestart met planten die net uit de koeling kwamen. In vier cabines werd SON-T in de ochtend en/of middag gedimd. Vervolgens zijn de controle en twee dimbehandeling met de grootste elektrabesparing (22% en 32%) geselecteerd voor een hele teelt. Dit maal in de grotere klimaat-units van Plant Lighting. Wederom bleek dat de dimbehandelingen evenveel CO2 per etmaal opnamen als de controle. Het bleek dat de dimbehandelingen niet inleverden op aantal takken en ook het aantal bloemen per hoofdtak was gelijk. Projectnummer: 14958.02

Van 01-01-2015 tot 01-08-2016
Afgerond

Bloeistimulering Trekheester met stuurlicht

In de huidige teelt van trekheesters wordt gedurende een korte periode zeer veel energie (stoken tot 36 graden Celsius) gebruikt om vroege bloei te induceren. Onderzocht wordt in hoeverre met stuurlicht niet hetzelfde effect bereikt kan worden. Conclusies van dit onderzoek zijn: Ook bij lagere teelttemperatuur liepen de knoppen uit. Geconcludeerd kan worden dat ofwel 23˚C overdag al voldoende was om de knoprust te verbreken, of dat de knoprust al verbroken was. Stuurlicht gaf weinig tot geen trekduurverkorting. Omdat de knoprust mogelijk al doorbroken was, werd niet duidelijk of stuurlicht dit proces al dan niet versnelt. In ieder geval versnelde stuurlicht het doorbreken van de knoprust niet significant in deze teelt. Bij de hogere teelttemperatuur werd één tot anderhalve week eerder begonnen met oogsten. Het duurde bij de koelere behandelingen van 0 tot 4 dagen (belicht) tot een week (onbelicht) langer voordat >95% van de takken van goede kwaliteit geoogst was. Een lagere teelttemperatuur gaf een verhoging van de takkwaliteit. Dit omdat meer knoppen de kans krijgen uit te lopen. Een lagere temperatuur kost minder gas. Het relatief grote aantal gebarsten knoppen in de warme behandeling vertekent het beeld mogelijk. Projectnummer: 15045

Van 19-08-2014 tot 01-05-2015
Afgerond

Sturen op compactheid zonder bloeivertraging

In de sierteelt wordt met steeds hogere intensiteiten SON-T belicht. Bij een aantal siergewassen wordt niet alleen belicht om de productie te verhogen, maar ook om de kwaliteit te verbeteren. Een belangrijk kwaliteitskenmerk is compactheid. Hoe hoger de intensiteit belichting, hoe compacter het gewas. Dit geldt voor gewassen als snijchrysant, potchrysant, potroos, lelie en kalanchoë. Het is bekend dat rood/blauw LED-licht kan resulteren in een compactere plantvorm dan SON-T. Echter kan rood/blauwe led ook bloeivertraging geven. Door het zoeken naar het juiste spectrum om de juiste fotoreceptoren aan te sturen kan zowel de strekking worden geremd en bloeivertraging tegen worden gegaan. Het hoofddoel van dit project is dan ook om fors te besparen op het elektraverbruik voor belichting van siergewassen. Dit doel wordt bereikt door op basis van kennis over plantkundige processen een strategie te ontwikkelen om met een lagere intensiteit energiezuinige LED belichting minimaal eenzelfde compactheid en teeltduur te behouden als bij de traditionele hogere intensiteit SON-T belichting. Het project bestaat uit: Uitwerken mogelijke belichtingsstrategieën die leiden tot een compactere plantvorm zonder teeltvertraging. Gewassen: potroos, potlelie, potchrysant en kalanchoë. Ook voor perkplanten is het onderzoek relevant Bespreken met belanghebbende kwekers. Op basis van deze bijeenkomst wordt besloten welke voorgestelde strategieën het meest kansrijk worden geacht. Kleinschalig toetsen van de meest kansrijke strategieën in een proefkas (WUR-Bleiswijk). Verslaglegging, workshop. Bij een aantal siergewassen wordt behalve voor productie ook belicht om een compacte plantvorm te bevorderen. Met rode + blauwe LED’s (LED RB) kan gestuurd worden op compactheid, maar bestaat ook het risico op bloeivertraging. In dit onderzoek is getracht om met stuurlicht bloeivertraging tegen te gaan met behoud van compactheid. De korte-dag planten potchrysant en kalanchoë zijn eerst 11.5 uur per etmaal belicht (12.5 uur nachtlengte). Stuurlicht had een gering effect op potchrysant: Onder LED RB bleek een goede kwaliteit te telen ten opzichte van SON-T, maar de planten bleken slechts 1 cm korter. Bij kalanchoë was 12.5 uur nacht krap voor een goede bloei-inductie, waardoor de stuurlicht-effecten op bloei zich juist sterk uitten: LED RB gaf ±10 dagen bloeivertraging. Een korte puls verrood licht aan het begin van de nacht deed die vertraging teniet, maar bij die behandeling waren de planten niet compacter dan bij SON-T. Kalanchoë bij 14 uur nachtlengte (2e proefronde) resulteerde in een goede bloei en slechts geringe stuurlichteffecten. Met LED RB blijkt een goede plantkwaliteit te telen bij voldoende nachtlengte. Zo kan energie bespaard worden. Verkorten van de nacht stimuleert groei (meer licht), maar verhoogt het risico op bloeivertraging. Met verrood stuurlicht op het juiste moment kan bloeivertraging worden voorkomen. In de proef werden alleen de zuivere effecten van lichtkleur onderzocht. Daarom werd de LED-belichting aangevuld met warmtestralers, zodat de planttemperatuur niet afweek van de SON-T behandeling. Mogelijk geeft LED RB zonder de warmtestralers compactere planten door de lagere planttemperatuur overdag. Projectnummer: 15089

Van 01-07-2014 tot 31-07-2015
Afgerond

Energiebesparend teeltconcept lelie: 50% energiebesparing

In Nederland wordt 200 hectare lelie belicht veelal met ±90 μmol SON-T (6000 tot 8000 lux) gedurende 16 tot 20 uur per dag. Gedurende de afgelopen jaren is uit een aantal onderzoeken naar voren gekomen dat energie op een efficiëntere wijze kan worden ingezet. Het rendement van belichting duikt onder de 50% als de daglicht-instraling boven de 120 tot 140W uitkomt. In de praktijk wordt tot 200 W instraling belicht. Ook is gebleken dat niet op kwaliteit ingeleverd wordt door CO2 te doseren bij 60 μmol in plaats van 90 μmol zonder CO2. Ook de laatste drie teeltweken kan met minder licht zonder gevolgen voor de kwaliteit. De technische doelstelling is om op basis van die eerdere onderzoeken een energiezuinige teeltstrategie voor belichting van lelie te ontwikkelen. Dit is een totaalconcept waarin alle technische middelen (belichting, schermstrategie, stoken, CO2, raamstand) worden geïntegreerd. De proef bestond uit drie proefkassen in twee trekken met de soorten Santender, Robina, Brindisi en White Heaven: Kas 1: Referentie: 90/60/45 μmol SON-T zonder CO2 bemesting (±450 ppm CO2) Kas 2: Belichting als in kas 1 en 800 ppm CO2 Kas 3: 'Totaalconcept Energiebesparing': streven was 50% energie te besparen met behoud van takkwaliteit, met de volgende maatregelen: Minder belichten maar wel CO2 doseren Eerder afschakelen belichting bij hoge instraling Temperatuur-integratie (daardoor ook meer effect van CO2 bij veel zon!) Halvering belichting aan begin en einde van de teelt Uit beide trekken bleek dat 60 μmol belichting met 800 ppm CO2 altijd even goed of beter presteerde dan 90 μmol belichting zonder CO2. Het vaasleven gaf daarnaast ook nauwelijks verschil tussen de behandelingen. De lijn was daarbij dat meer CO2 een hoger takgewicht gaf. Ook meer licht gaf een hoger takgewicht. Bij meer CO2 en meer licht was er niet altijd een toename. In de energiebesparende kas, kas 3 dus, waren de takken gelijk of zwaarder. Met het totaalconcept is dus extra elektriciteit te besparen, met name door aan het begin en aan het einde van de teelt een deel van de belichting uit de schakelen. Vermindering van de belichting leidde wel altijd tot een verhoging in het gasverbruik, wat kan oplopen tot 2 m3 gas per m2. Projectnummer: 15088

Van 01-06-2014 tot 01-07-2015
Afgerond