Zoeken

Resultaat 1 tot 7 van 7.

Monitoring huidmondjes; voldoende opening onder LED-belichting

Doel: De doelstelling is kennisontwikkeling over het gedrag van huidmondjes onder LED-belichting, en het betrouwbaar kunnen meten en interpreteren van huidmondjesopening in een praktijksituatie. Door het kunnen meten van de huidmondjesopening kan door telers hierop geanticipeerd worden door de belichting, warmte-input en CO2 dosering er op aan te passen. Ook wordt onderzocht wanneer de huidmondjesopening beperkend wordt voor de fotosynthese bij LED. Huidmondjes spelen een cruciale rol in de assimilaten-, vocht- en energiebalans. Een te beperkte opening remt de groei. Echter, als huidmondjes verder open staan dan nodig, dan leidt de extra verdamping tot onnodig energieverbruik. “Live” inzicht in de openingsstand van de huidmondjes is dus zeer gewenst. Recent is het project ‘Monitoring van huidmondjesopening in de kas’ afgerond. De hoofddoelstelling van dit onderzoek was de ontwikkeling van een robuuste, betrouwbare en betaalbare methode om huidmondjesgeleiding (Gs) in een kassituatie vast te stellen. Het is gebleken dat de stomatasensor dit in principe kan bieden. Voor een laag-verdampend gewas (in project voor voorbeeldgewas anthurium) is er nog wel een aanpassing nodig. Aanpak: WP1: Nut en noodzaak van huidmondjesopening onder LED-belichting bij voorbeeldgewas paprika: wat is de minimale energietoevoer? Onder gecontroleerde omstandigheden (klimaatkamers) wordt voor een aantal scenario’s onder LED-belichting, al dan niet in combinatie met IR-stralers, de huidmondjesopening gemeten met fotosynthese-apparatuur en berekend via de energiebalans voor het gewas paprika (minimaal 5 weken). Er zal onder verschillende LED-spectra nagegaan worden of de huidmondjesopening onder full-LED beperkend is voor de fotosynthese. Indien beperkend zal worden onderzocht wat de minimale energietoevoer moet zijn, zodat de huidmondjesopening de fotosynthese niet meer beperkt. Op basis van de resultaten zal worden berekend wat de minimaal benodigde huidmondjesopening (Gs) zal moeten zijn bij een bepaald lichtniveau zodat de fotosynthese niet beperkt wordt. WP2: Validatie-metingen aan de stomata-sensor die dan mede gevoed wordt door een netto stralingsmeter (voorbeeldgewas anthurium). De ontwikkelde stomatasensor wordt met een aangepaste versie getoetst in de praktijk voor een half jaar. De sensor wordt uitgebreid met een netto-stralingsmeter. Tevens zal ook onderzocht worden of de planttemperatuur, die cruciaal is voor berekening van de Gs, beter bepaald kan worden met een thermografische camera in plaats van de gebruikelijke planttemperatuur-meter. Ook zal onderzocht worden of de ongewenste warmtelast die via infraroodstraling vanuit het schermdoek het gewas opwarmt vermeden kan worden door een andere type schermdoek te gebruiken. Hiervoor wordt bij verschillende telers met een mobiele opstelling gemeten. In de rapportage zal worden weergegeven wat de benodigde Gs is gezien het lichtniveau (de ‘vangrail’ tussen noodzaak en overmaat). Het is uiteindelijk de bedoeling dat deze vangrail ‘live’ mee gaat lopen met de berekende huidmondjesopening, zodat de teler in een oogopslag kan zien hoe hij de huidmondjesstand moet interpreteren (voornemen Let’s Grow). Deze vangrail per lichtniveau geldt voor de meeste tuinbouwgewassen (C3-gewassen) en niet alleen voor de voorbeeldgewassen paprika en anthurium. Let's grow draagt in kind bij aan dit project. Voor Anthurium is gebleken dat de stomatasensor die gevoed wordt door een netto stralingsmeter schattingen van de huidmondjesgeleidbaarheid geeft die in dezelfde orde grootte liggen als die gemeten worden door nauwkeurige fotosynthese-apparatuur. Een belangrijk aandachtspunt blijft dat de betrouwbaarheid van de stomatasensor afhangt van de betrouwbaarheid en representativiteit van de meetpositie van alle gebruikte sensoren. Dit vraagt aandacht van de teler. Voor paprika is er in een proefopstelling op vijf manieren een verschillend energie-aanbod gerealiseerd: Belichting met SON-T, LED 6% blauw, LED hoog PAR, LED 30% blauw en LED 6% blauw + warmtestraling. Alleen LED 30% blauw gaf een significant hogere huidmondjesgeleidbaarheid en fotosynthese, alle andere behandelingen verschilden hierin nauwelijks van elkaar, ondanks het verschil in aangeboden stralingsenergie. Het blijkt dat het lichtspectrum een grotere rol speelt dan de aangeboden stralingsenergie voor wat betreft de huidmondjesgeleidbaarheid. Dit suggereert dat waar huidmondjesbeperking van de fotosynthese optreedt, het percentage blauw in de lamp zal moeten worden opgevoerd. Het in kaart brengen van de energiebalans legde een belangrijke nuancering bloot. De resultaten van de gemeten en berekende huidmondjes-geleidbaarheid laten zien dat in deze proef niet het aanbod van energie leidend was in de huidmondjesgeleidbaarheid, maar de afvoer van energie: enerzijds via convectie, anderzijds via verdamping. Oorzaak en gevolg kunnen hierin formeel niet onderscheiden worden. In de behandelingen is gestreefd naar een gelijke luchttemperatuur. Bij de behandelingen SON-T en LED + warmte (hoge energie-input) lijkt het erop dat er een dusdanig hoge convectieve afdracht van energie was doordat de binnenkomende luchttemperatuur 2-3°C koeler was dan de bladtemperatuur, waardoor er nauwelijks verdamping plaats hoefde te vinden. Bij de behandeling LED 30% blauw waren de huidmondjes verder open, waardoor het erop lijkt dat de verdamping dusdanig hoog was dat de convectieve afdracht van energie automatisch laag is geworden. In de praktijk zal dus in de situatie van LED-belichting én een huidmondjesbeperking op de fotosynthese, allereerst de uitstraling (is afvoer van energie) moeten worden geminimaliseerd en de convectieve afdracht van energie moeten worden verkleind, zodat de verdamping de primaire afvoer van energie wordt. Pas als dit onvoldoende oplossing biedt, zal gedacht kunnen worden aan het verhogen van het percentage blauw in de belichting. Voor beide gewassen was het doel om een ‘vangrail’ op te stellen voor de huidmondjesopening. Er zijn twee grote beperkingen van de fotosynthese bij een gegeven lichtniveau bij gewassen die verder onder gunstige omstandigheden groeien, namelijk het CO2-niveau in de kas en de huidmondjesgeleidbaarheid. Voor optimale sturing kunnen die effecten als volgt in beeld gebracht worden: Huidmondjes: ‘Live’ de huidmondjesgeleidbaarheid via de energiebalansmethode in beeld brengen ten opzichte van de gewenste huidmondjesgeleidbaarheid via een fotosynthesemodel. CO₂: Hiervoor moeten drie lijnen ‘live’ in beeld worden gebracht: (1) De maximaal haalbare fotosynthese bij CO₂-verzadiging, ten opzichte van (2) de door CO2 beperkte fotosynthese (dat is de maximaal haalbare fotosynthese gegeven het CO2-niveau in de kas). En (3) de ‘live’ fotosynthese die mogelijk ook door de huidmondjes wordt beperkt. Het verdient aanbeveling om de fotosynthese van bladeren bovenin het gewas online in beeld te brengen. Dit kan door een betrouwbaar mechanistisch fotosynthesemodel mee te laten draaien op een dataplatform. Als afgeleide hiervan kunnen beperkingen in de fotosynthese in beeld worden gebracht. Als deze in beeld zijn, dan kunnen licht, CO2 en warmte efficiënter benut worden door te voorkomen dat de huidmondjes-geleidbaarheid beperkend is voor de fotosynthese. Anderzijds gaat warmte onnodig verloren als huidmondjes verder open staan dan nodig, doordat dan meer (latente) warmte moet worden afgelucht (ontvochtigen) of onnodig veel verneveld wordt. Het is dus een kwestie van sturen van de huidmondjesopening binnen de vangrails van noodzaak en overmaat. Projectnummer: 20143

Van 01-04-2020 tot 31-12-2021
Afgerond

Belichten phalaenopsis op plantbehoefte

Het ritme van Phalaenopsis kent vier fases per etmaal. In fase III zijn de huidmondjes gesloten, wordt malaat afgebroken, en wordt het uit het malaat vrijkomende CO2 met behulp van licht geassimileerd tot suikers. Fase III duurt 8 tot 10 uur, en in die periode moet de plant het grootste deel van de dagelijkse lichtsom krijgen. Het is niet bekend in hoeverre de intensiteit van het licht een directe invloed heeft op de afbraak van malaat gedurende fase III. De vraag is hoe het patroon van malaatafbraak verloopt gedurende fase III. Verloopt het tempo van de afbraak van malaat volgens een constant patroon ongeacht de lichtintensiteit? Of past het tempo zich aan de lichtintensiteit aan? Indien er sprake is van een constant patroon, dan kan de belichting daarop worden aangepast, niet méér worden belicht dan nodig, en de belichting dus ook al snel worden uitgeschakeld bij voldoende daglicht-instraling. Dit bespaart energie. Indien het tempo zich aan de lichtintensiteit aanpast, dan kan gebruik gemaakt worden van de METEO-module in de klimaatcomputer: Bij lage verwachte instraling moet worden doorbelicht. En bij hoge verwachte instraling later in de ochtend, kan al eerder de belichting worden teruggeschakeld. Het doel van dit project is kennis te ontwikkelen over het effect van lichtintensiteit op het patroon van malaatafbraak gedurende CAM-fase III bij Phalaenopsis in 4 werkpakketten: WP1: Literatuuronderzoek regulering malaatafbraak CAM-planten. WP2: Experimenten, 6 behandelingen uitgevoerd in 6 klimaat-units van ruim 2 m2 netto. Hier zijn twee meetsessies met verschillende niveaus aan licht en ook afgewisseld in één behandeling. Na WP2 volgt een go / no go. WP3: De planten worden verder geteeld tot oogstrijp stadium. Aan het einde van de teelt wordt de plantkwaliteit gemeten. WP4: Om in de praktijk elektra besparende belichtingsregelingen voor de lampen te kunnen toepassen, wordt een schets gemaakt van de ‘ideale teeltstrategie’. De te behalen elektrabesparing op belichting ligt in de orde van 0% (donkere dagen met nauwelijks daglicht) tot meer dan 50% (dagen met 5 of meer mol/m2/dag aan daglicht in de kas). De besparing die mogelijk zou kunnen zijn over een geheel jaar zou zeker in de orde van 20% kunnen liggen. De gewascoöperatie potorchidee draagt € 15.000,- bij aan dit project. Conclusies 1. Is lichtintegratie binnen CAM-fase III mogelijk? Ja, het bleek dat lichtintensiteit bij Phalaenopsis een sturende rol heeft in de snelheid van malaatafbraak. Variatie in lichtintensiteit gedurende CAM-fase III gaf geen verlaging van de CO2-opname ten opzichte van constant licht. Lichtintegratie binnen CAM-fase III is dus mogelijk. 2. Is lichtintegratie over een hele dag mogelijk? Nee, de CO2-opname over een etmaal lag ~25% lager bij behandeling 5 met een lage lichtintensiteit gedurende CAM-fase III en vervolgens een hoge intensiteit in CAM-fase IV. Wel kan er deels worden gecompenseerd door wat meer te belichten aan het einde van de dag als de lichtsom in CAM-fase III onverwacht lager uitvalt. De laatste 2.5 uur lijkt dit geen zin meer te hebben omdat dan PEPC een overheersende rol speelt in de CO2-opname. Een hoog lichtniveau in CAM-fase IV geeft lichtstress. 3. Is lichtintegratie over meerdere dagen mogelijk? Ten dele: Indien het gewas niet zoveel licht krijgt dat de CO2-opname verzadigd is, dan wordt de lagere CO2-opname na donkerdere dagen ten dele gecompenseerd door een hogere CO2-opname op lichtere dagen. De CO2-opname over meerdere dagen lag ruim 10% lager bij behandeling 6 met wisselende lichtsommen per dag. De wisseldag van laag naar hoog licht geeft lichtstress. Projectnummer: 20074

Van 01-07-2018 tot 01-10-2019
Afgerond

Hoe werkt een kalanchoë

Kalanchoë is het op één na grootste product binnen de categorie bloeiende potplanten. Over de bijzondere fysiologische eigenschappen van dit gewas is nog veel onbekend. Behalve dat kalanchoë een korte-dag plant is, kent dit gewas ook twee verschillende vormen van fotosynthese: C3 en CAM. Een aantal fysiologische eigenschappen die bepalend zijn voor een optimale energiezuinige teelt zijn nog niet bekend, of onvoldoende bekend: 1. Wanneer vindt de overgang van C3 naar CAM precies plaats? Of gebeurt dit niet altijd? 2. Kan de tuinder dit moment beïnvloeden met klimaatsturing? 3. Verschilt het moment van switchen van C3 naar CAM ook per ras? 4. Welke fase zet CO2 en licht het meest efficiënt om in groei? Doel van dit project is om een beter begrip van de fysiologie te krijgen en dit geeft tuinders de mogelijkheid om efficiënter licht en CO2 te benutten voor groei. In dit project worden drie verschillende rassen kalanchoë onder geconditioneerde omstandigheden in 4 klimaatkamers geteeld. Er wordt een verschil in RV gemaakt om het moment van switchen te trachten te beïnvloeden (2 units 60% en 2 units 85% RV). Belichting is met kunstmatig daglicht en SON-T onder winterlichtomstandigheden. Wekelijks wordt met geavanceerde fotosynthese-meetapparatuur gemeten aan de verschillende rassen / behandelingen / planten / bladeren al geswitcht zijn van C3 naar CAM. De totale CO2-opname per etmaal in de CAM-fase wordt vergeleken met die in de C3-fase. De kalanchoëtelers financieren 30% van dit project bovenop genoemd bedrag van KaE. RV geeft meer productiviteit Uit het onderzoek blijkt dat een net bewortelde stek CAM-activiteit heeft die afneemt tot twee weken na start korte-dag. Daarna neemt de CAM-activiteit geleidelijk toe. De overgang van C3- naar klassieke CAM-fotosynthese verloopt dus heel geleidelijk. RV bleek weinig invloed te hebben op het moment van overgang, maar een hogere RV (80%) gaf wel meer productiviteit dan 55-60% RV. Tijdens de C3-fase lag de fotosynthese in orde van zo’n 10% hoger en bij de CAM fase tot ca. 26% doordat de huidmondjes verder open staan. De verschillen tussen de gemeten rassen ‘Saja’, ‘Amarillo’ en ‘Siberia’ waren beperkt. De C3-fase was beduidend productiever dan de CAM-fase gerekend in mol CO2 vast gelegd per m2 blad per dag. Forse CO2-besparing De resultaten geven aanleiding tot beperkte besparing aan belichting aan de randen van de dag door de belichting in delen op en af te schakelen. Wel is er forse besparing op CO2 mogelijk door per fase te compartimenteren en dosering aan te passen aan het moment van behoefte vanuit het gewas. Voor de CAM-fotosynthese geldt dat CO2-doseren zinloos is als de huidmondjes dicht zijn. In deze proef waren tijdens de CAM-fase later in de teelt de huidmondjes gesloten tussen ongeveer 10.00 en 14.30 uur. Dit zijn juist de uren dat de zon het hoogst staat, de ramen open staan en CO2-dosering het minst effectief is. Hier kan dus CO2 bespaard worden. Bovenstaande geldt echter alleen voor de CAM-fase en niet voor de C3-fase. Vanuit het oogpunt van CO2-besparing is het dus nuttig om de kalanchoëteelt ook tijdens de korte dag te compartimenteren - de lange dag wordt al in een aparte ruimte uitgevoerd. Door middel van een eenvoudige scheidingswand kan ervoor worden gezorgd dat gedurende het eerste deel van de teelt er wel de hele dag (overdag, dus alleen bij licht) CO2-gedoseerd wordt, terwijl in het laatste deel van de teelt er midden op de dag geen CO2 gedoseerd hoeft te worden en aan de randen van de dag en in de nacht juist wel. Projectnummer: E17006

Van 01-12-2017 tot 01-08-2018
Afgerond

Belichten naar gewasbehoefte voorstudie met proefgewas lelie

In 2014-2015 is kennis uit een aantal onderzoeken gecombineerd in een ‘totaalconcept energiebesparing’. Uit deze proef bleek dat 45% op elektra bespaard kan worden door een lagere intensiteit belichting te compenseren met CO2 dosering, belichting eerder uit te schakelen bij voldoende daglicht aan begin en einde teelt een deel van de armaturen permanent uit te schakelen de temperatuur op te laten lopen bij voldoende instraling en juist minder te stoken bij heel weinig instraling. Het zwakke punt aan de proef was dat de implementatie van punt 2 en 3 ‘op gevoel’ ging. De hypothese achter beide maatregelen was dat de assimilatenvraag volgens een zoge-naamde ’S-curve’ verloopt. Het minder steile verloop van de helling aan begin en einde van de curve duidt op een lagere behoefte aan assimilaten. Juist op die momenten mag de belichting eerder worden af- en of uitgeschakeld. Helaas is het werkelijke verloop van de S-curve voor lelie onbekend. Het achterhalen van deze ontbrekende informatie is een cruciale voorwaarde voor een gedegen energiezuinige teeltplanning. Bovendien is bepaling van de S-curve voor takgewicht, maar ook voor LAI en bladafsplitsing, een voorwaarde voor berekeningen binnen een kas-gewasmodel. In dit project wordt in de winterperiode voor drie rassen de S-curve bepaald. De metingen zullen plaatsvinden in de praktijk. Wekelijks worden de plantlengte, plantgewicht, takgewicht (vers en droog), bol-gewicht (vers en droog), LAI en aantal bladeren gemeten. Het bepalen van de S-curve is een belangrijke voorwaarde om de belichting af te kunnen stemmen op de behoefte aan de assimilaten. Het bepalen van de S-curve is specifiek voor lelie, maar het principe van belichten op basis van de assimilatenvraag volgens die curve is breder toepasbaar. Denk aan gewassen zoals chrysant, lisianthus, bouvardia en bepaalde potplanten. In eerder onderzoek is aangetoond dat bij lelie 45% elektra bespaard kan worden met nauwelijks kwaliteitsverlies. Dit door onder andere CO2 te doseren en minder te belichten op momenten waarop ingeschat werd dat de assimilatenvraag laag was. De exacte vraag naar assimilaten was niet bekend. Dit onderzoek heeft de werkelijke vraag per teeltweek bepaald: wekelijks is drogestof van verschillende plantorganen en LAI gemeten aan vier rassen en vervolgens zijn groeicurves berekend voor de rassen Oriëntal ‘Robina’, Oriëntal Trumpet (OT) ‘Santander’, LA ‘Brindisi’ en Longiflorum ‘White Heaven’. De lelies zijn in de praktijk zo geteeld dat het maximale takgewicht bereikt kon worden. Minder belichten De eerste kasweken is de assimilatenbehoefte laag en teert het gewas op de bol. Het duurt enige kasweken voordat het blad efficiënt licht onderschept. Lampen kunnen dan gedimd branden en bij voldoende daglicht afgeschakeld worden. De laatste weken nam bij ‘Robina’ en ‘Santander’ het bolgewicht weer toe: in die fase kan minder worden belicht mits dit niet ten koste van de bloemkwaliteit gaat. ‘Brindisi’ en ‘White Heaven’ blijft tot oogst toenemen in takgewicht zonder toename van bolgewicht. Minder belichten in de laatste fase is hier niet aan te bevelen. Deze studie biedt de basis voor het parametriseren van een groeimodel voor lelie. Op basis van zo’n groeimodel kan veel preciezer worden bepaald hoeveel op welke momenten belicht moet worden. Projectnummer: E16004

Van 01-10-2015 tot 31-05-2016
Afgerond

HNT 3.0 Van lichtsom naar assimilatensom

Het hoofddoel van dit project is besparen op elektraverbruik door de belichting af te stemmen op de behoefte van het gewas. Zo wordt niet onnodig belicht en kan vooral in de maanden oktober, november, februari en maart kan door doelgericht te belichten fors bespaard worden op het aantal belichtingsuren. Bij tuinders is niet altijd precies bekend wat de productiviteit van hun gewas is (de assimilatenproductie) en het momentane rendement van de belichting aan de ene kant, en aan de andere kant wat aan de vraag naar assimilaten van het gewas is. Het einddoel van dit traject is dat er een voor de kwekers bruikbare tool komt om aanbod van en behoefte aan assimilaten op elkaar af te kunnen stemmen. Dit door regeling van de belichting (sturen aanbod) en temperatuur (sturen vraag). In dit project wordt in eerste instantie gefocust op tomaat. Er wordt gestart met een globaal ontwerp van de tool en koppeling aan een bestaand platform. Het globale ontwerp wordt aan het einde van deze WP gepresenteerd aan een werkgroep van belichtende tomatentelers en geëvalueerd. Bij positief resultaat kan een vervolgproject worden ontwikkeld voor verdere ontwikkeling en validatie van de tool. Met het model Explorer Kasklimaat is onderzocht of een dagelijkse regeling van de belichting energie bespaart. De seizoensbehoefte aan assimilaten van het gewas is geschat door simulatie van volledig belichte seizoenen tussen 1957-1958 en 2014-2015. Gedurende het belichtingsseizoen verandert de assimilatenbehoefte volgens een vrijwel vast patroon. Dat biedt de mogelijkheid om met behulp van de weersvoorspelling aan het begin van elke dag de belichting zodanig af te regelen dat de productie van assimilaten de behoefte niet overschrijdt. Projectnummer: E15011.02

Van 01-04-2015 tot 01-06-2015
Afgerond

Besparen op elektra bij Phalaenopsis, deel 2

De resultaten van het huidige project 'Minder belichten Phalaenopsis zonder productieverlies' geven concrete aanleiding tot besparen op elektra en minder CO2 verbruik: Voor de opkweek is duidelijk geworden wat de maximale lichtsom is waarbij een blad nog productiever wordt. Ook is aangetoond dat het geven van een hogere lichtsom in de afkweek dan in de opkweek er niet toe leidt dat bladeren meer assimilaten produceren. Dit terwijl de praktijk fors meer belicht in de afkweek (tot 10 mol licht/m2/dag) dan in de opkweek (tot 7 mol). Uit eerder onderzoek van aanvragende partijen bleek al dat het licht in de vroege ochtenduren en in de middag slecht wordt benut (zie Figuur links). Uit dit onderzoek bleek echter dat het simpelweg uitzetten van de lampen op die uren niet werkt en zelfs leidt tot minder assimilatenproductie / productiviteit. Wel lijkt het er sterk op dat de hoeveelheid belichting sterk minder kan in de ochtend en namiddag en tot een besparing van 26% op elektra kan leiden met eenzelfde productie. Het hier aangevraagde onderzoek moet aantonen of dat werkelijk zo is. Er zijn twee strategieën die in dit project getoetst worden: Tijdens de vroege ochtenduren en later in de middag de belichting afstemmen op het behalen van de maximale potentiële bruikbare lichtenergie. Tijdens de vroege ochtenduren alleen een lage intensiteit stuurlicht en later in de middag helemaal geen belichting, omdat het daglicht al voldoende is. Hiermee zou mogelijk 40% op elektra bespaard kunnen worden. De werkzaamheden zijn: Werkpakket 1: Consultatieronde en literatuuronderzoek. Werkpakket 2: Besparing op belichting in de afkweek Go / no go moment Werkpakket 3: Besparing op belichting in afkweek; herhaling en fine-tuning Werkpakket 4: Besparing op belichting in de opkweek tot veiling. De teelt vindt plaats onder geconditioneerde omstandigheden in klimaatruimten, waarbij 8 behandeling worden getoetst. Met geavanceerde Licor 6400 fotosynthese-meetapparatuur worden de patronen van CO2-opname en CO2-verwerking in detail gemeten over het etmaal. Ook zal de plantkwaliteit beoordeeld worden. Bij phalaenopsis is 32% besparing op elektriciteit mogelijk door een betere timing van belichting zonder in te leveren op kwaliteit. Begin 2015 ging het project “Minder belichten phalaenopsis zonder productieverlies II” van start. Hierin is verder onderzocht of door het dimmen van de belichting op de inefficiënte uren in de ochtend en middag elektriciteit bespaard kan worden. Er is onderzoek gedaan met verschillende varianten belichting in acht kleine klimaatcabines met het ras Sacramento. Er waren twee opeenvolgende proefronden waarin werd gestart met planten die net uit de koeling kwamen. In vier cabines werd SON-T in de ochtend en/of middag gedimd. Vervolgens zijn de controle en twee dimbehandeling met de grootste elektrabesparing (22% en 32%) geselecteerd voor een hele teelt. Dit maal in de grotere klimaat-units van Plant Lighting. Wederom bleek dat de dimbehandelingen evenveel CO2 per etmaal opnamen als de controle. Het bleek dat de dimbehandelingen niet inleverden op aantal takken en ook het aantal bloemen per hoofdtak was gelijk. Projectnummer: 14958.02

Van 01-01-2015 tot 01-08-2016
Afgerond

Besparen op elektra bij Phalaenopsis

Heeft korter belichten een negatief effect op de malaat-voorraad? Onderzocht is of een zeer forse besparing op elektraverbruik bij zowel de opkweek als de afkweek van Phalaenopsis mogelijk is door minder uren belichting. Uiteraard zonder productie in te leveren. Uit de proef bleek dat de lichtsom die nodig is om een maximale malaat-opslag te bereiken, niet verschilt voor de opkweek en de afkweek. Dus als de opkweek voldoende licht krijgt, geeft een nog hogere lichtsom in de afkweek geen extra malaat-opslag. In de opkweek is bij beide rassen in de ochtend geen en in de namiddag slechts beperkt directe C3-fotosynthese gemeten. In de afkweek was de rol van de directe C3-fotosynthese nog kleiner. Mogelijk is CO2 doseren interessant tijdens de opkweek in de namiddag. Nader onderzoek moet dit uitwijzen. Ook lijkt vol belichten in de ochtend en namiddag niet zinvol. De lichtbenuttingsefficiëntie is dan zeer laag. De lampen vroeg in de ochtend volledig uitschakelen geeft een negatief effect op de CO2 opname per etmaal. Dit biedt kansen voor de ontwikkeling van een energiezuinigere belichtingsstrategie. Projectnummer: 14958.01

Van 01-10-2013 tot 01-08-2014
Afgerond
  • 1