Zoeken

Resultaat 1 tot 9 van 9.

Energiezuinige belichting bloeiende potplanten zonder inzet van remmiddelen

Doel De doelstelling is om tot een energiezuinig teeltconcept voor bloeiende potplanten (kalanchoë) te komen en tevens bij te dragen aan beperking van de noodzaak tot inzet van remmiddelen. Telers krijgen handvatten om minder te kunnen belichten, meer natuurlijk licht te kunnen gebruiken en met UV-B energiezuinig op compactheid te sturen. Projectbeschrijving Naast energiezuinig telen zijn plantvorm en generativiteit belangrijk bij bloeiende potplanten zoals kalanchoë, potroos en potchrysant, maar ook perkplanten en snijbloemen (o.a. chrysant). De planten moeten een volle, compacte vorm hebben met veel zijscheuten en knoppen. Hiervoor worden remmiddelen gebruikt en andere methoden zoals een hogere intensiteit belichting, een langere dag, meer blauw licht en een negatieve DIF. Om energiezuinig en zonder remmiddelen te kunnen telen, lijken er kansen te liggen door een juiste belichtingsstrategie. Licht heeft een grote invloed op plantontwikkeling, vorm en bloei. Lopend onderzoek aan kalanchoë bij Plant Lighting heeft tot nu toe aangetoond dat het juiste spectrum belichting onder winterse omstandigheden doorwas kan voorkomen en een redelijke plantvorm en generativiteit oplevert zonder remmiddelen. Het onderzoek heeft onder andere een spectaculair effect van UV-B licht op compactheid aangetoond. Ook zijn concrete vragen naar voren gekomen die kansen bieden voor elektrabesparing. Dit door de belichtingsduur te beperken als mogelijk blijkt dat belichting niet of minder noodzakelijk lijkt aan het eind van de teelt aangezien die plant dan uitontwikkeld is. Ook liggen er mogelijk kansen in het hanteren van een langere daglengte in de tweede helft van de teelt. Hiermee kan meer natuurlijk licht worden toegelaten, is belichting minder nodig en wordt mogelijk ook de compactheid bevorderd. Een tweede mogelijkheid is om energiezuinig te kunnen remmen met UV-B licht. Dit kan met UV-B LED worden bereikt of met low-iron glas. Het onderzoek vindt plaats in de nieuwe klimaatcellen van Plant Lighting, uitgerust met daglichtsimulatoren. Hierin kunnen acht verschillende belichtingsstrategieën per proefronde tegelijk worden getoetst tegen een achtergrond van daglicht. Er zijn vijf opeenvolgende teeltrondes van ongeveer 13 weken ieder, waardoor de kennis uit eerdere ronden kan worden gebruikt in een volgende ronde. Proefronde 1: Toetsing duur en benodigde intensiteit van bij-belichting na 3, 4, 5 en 6 weken korte dag bij kalanchoë. Proefronde 2: Toetsing of een korte-dag tot het einde van de teelt nodig is om bloeiverstoring van kalanchoë te voorkomen. Proefronde 3: Toetsing verschillende belichtingsstrategieën met UV-B op plantcompactheid, groei en overige plantkenmerken bij kalanchoë. Proefronde 4: Verfijning strategie UV-B op basis van de resultaten van proefronde 3. Toetsing tevens bij potroos of potchrysant. Proefronde 5: Integratie inzichten uit proefronde 1 t/m 4. Hoe te sturen op een goede plantkwaliteit met zo min mogelijk elektraverbruik en zonder remmiddelen? In het rapport worden aanbevelingen gedaan voor inpassing van de opgedane kennis in een energiezuinig teeltconcept, waarin remmiddelengebruik wordt geminimaliseerd. Kalanchoë is het hoofdgewas dat wordt getoetst, maar ook de mogelijkheden voor potroos en potchrysant worden meegenomen. De resultaten zijn ook relevant voor perkplanten en snijbloemen (met name chrysant). Het onderzoek wordt mede mogelijk gemaakt door de gewascoöperatie Kalanchoë. Projectnummer: E20006

Van 01-01-2021 tot 31-03-2022
Afgerond

Phalaenopsis richting fossielvrij: Efficiëntere sturing bloemtakuitloop

Doel: Het doel is om kennis te ontwikkelen over de invloed van daglengte op de takuitloop bij phalaenopsis. Hiermee kan de koudebehoefte met 25% vermindert worden (elektrabesparing per m2) en een kortere teeltduur bereikt kan worden. Toelichting: Phalaenopsis is een belangrijk gewas en een zeer energie-intensieve teelt; ±55 m³aardgas/m²/jaar; elektra belichting ±160 kWh/m²/jaar; elektra koude ±130 kWh/m²/jaar. Het hier voorgestelde onderzoek richt zich op beperking van de koudevraag. De koelfase (18-19 ˚C) is nodig om de uitloop van bloemtakken te induceren en duurt 8 weken. Het uitlopen van meerdere bloemtakken per plant is bepalend voor de prijsvorming. Vandaar de noodzaak tot de lage koeltemperatuur, wat in de zomer veel elektriciteit kost. Juist de periode rond mei-juni wordt ervaren als de lastigste periode van het jaar om voldoende uitloop van bloemtakken te verkrijgen. De ervaring in de praktijk is dat dit niet alleen te maken heeft met onvoldoende koelcapaciteit, maar ook met daglengte: Bij afnemende daglengte naar het najaar toe gaat takuitloop juist weer veel gemakkelijker. Vanuit energetisch oogpunt is het zeer interessant indien zou blijken dat een kortere daglengte bloemtak-uitloop stimuleert: Het bespaart op twee manieren elektra: minder uren belichten en in de zomer hoeft waarschijnlijk minder lang gekoeld te worden. Aanpak: In twee klimaatkamers wordt de proef uitgevoerd. In de klimaatkamers kunnen daglengte, temperatuur, RV en CO2 nauwkeuring worden gecontroleerd. Relatief jonge planten worden aangeleverd en de eerste 2 weken 16 uur belicht ter acclimatie. Gedurende de 8 weken opkweek die volgen wordt de helft van de planten 16 uur belicht (controle) en de andere helft 12 uur per dag belicht (korte dag). Daarna wordt gedurende 6 weken gekoeld. Dat is relatief kort: een korte koelperiode vergroot het onderscheidend vermogen van de proefbehandelingen en toont bij succes aan dat hier energiebesparing mogelijk is. Vervolgens wordt gedurende 10-12 weken afgekweekt. In beide klimaatkamers staan 2 teelttafels wat ruimte geeft voor 4 rassen. Plantontwikkeling wordt gemonitord en eindkwaliteit wordt gemeten. Na afloop van de proef wordt een brainstorm georganiseerd over de inpassing van de inzichten uit deze proef en andere onderzoeken in een klimaatneutraal totaalconcept. De gewascoöperatie potorchidee investeert €11.081,- in dit project. Phalaenopsis wordt na een warme opkweek gekoeld (19˚C) om de uitloop van bloemtakken te induceren. In onderzoek is aangetoond of een kortere daglengte aan het einde van de opkweek zinvol is om bloemtakuitloop te stimuleren. Vanuit energetisch oogpunt kan dit zeer interessant zijn, want het bespaart op twee manieren elektra: (1) minder uren belichten en (2) in de zomer hoeft mogelijk minder lang gekoeld te worden. In twee identieke klimaatkamers van Plant Lighting, uitgerust met daglicht-simulatoren, zijn vier cultivars (Lively, Limelight, Cambridge en Ferrara) gekweekt. De laatste acht weken van de opkweek werd bij één behandeling de dag verkort (KD) tot twaalf uur in plaats van zestien uur (controle). Vervolgens werd er met een relatief hoge etmaaltemperatuur van ruim 20°C gekoeld voor (slechts) zes weken en afgekweekt bij ruim 21°C. De koelperiode was relatief kort, bij relatief hoge temperatuur en met relatief jonge planten. Dit om het onderscheidend vermogen tussen de behandelingen te vergroten. Aan het einde van de proef is aan 216 planten per cultivar per behandeling het aantal bloemtakken en de kwaliteit gemeten. Voordeel in plantkwaliteit Bij KD steeg het gemiddeld aantal bloemtakken per plant. Het percentage 2-takkers in Ferrara steeg met 6% ten koste van 1-takkers en bij Lively steeg het percentage 3-takkers met 7% ten koste van 2-takkers. Bij Cambridge was een kleine, niet significante toename, en Limelight reageerde niet op de behandeling. De KD had verder geen effect op de takkwaliteit (aantal bloemen en vertakking van de meertakkers), uniformiteit, en teeltduur. De KD bood onder de proefomstandigheden dus een voordeel in plantkwaliteit tegen lagere kosten: er kan worden bespaard op het aantal uren belichting per dag in de opkweek. Mogelijk kan hierdoor in de zomer ook worden bespaard op de koeling. Projectnummer: 20124

Van 01-10-2019 tot 31-10-2020
Afgerond

Plantbalans bromelia: optimale benutting van licht en warmte

Bromelia is een tropisch gewas dat in Nederland geteeld wordt bij een relatief lage temperatuur (21 ˚C in de winter). De groei van deze planten is traag. Uit eerder onderzoek van aanvrager bleek dat de fotosynthese sterk gelimiteerd wordt door de huidmondjesweerstand. Ook temperatuur bleek een belemmering voor de potentiële fotosynthese-snelheid. Verder bestaat het vermoeden dat temperatuur een beperkende factor is voor de bladafsplitsing, waardoor de plant zijn geproduceerde assimilaten niet goed kwijt kan (‘sink-limitatie’). Dit leidt tot een lage lichtbenutting, en dus een inefficiënte benutting van energie. Een efficiënte energiebenutting vindt plaats als aanmaak van assimilaten (source) en vraag naar assimilaten (sink) in balans zijn. Bij bromelia is niet bekend hoe die verhoudingen liggen. De hypothese is dat warmte en licht veel efficiënter voor groei benut kunnen worden als geteeld wordt bij de juiste balans. In teeltproeven (guzmania, vriesea) wordt m.b.v. een aantal behandelingen (temperatuur- en belichting) de ideale balans bepaald op basis van diverse gewas/plant/productie-metingen. De gewascoöperatie bromelia is medefinancier van dit project. Meer belichting geeft een forse toename in het plantgewicht en de temperatuur heeft weinig effect op de biomassatoename. Dat zijn de verrassende resultaten van het onderzoek Plantbalans Bromelia, uitgevoerd door Plant Lighting. Het resultaat geeft bromeliatelers de handvatten voor een teelt met een zo efficiënt mogelijke benutting van licht en warmte. De nogal verrassende resultaten komen zeker niet ongunstig uit wat betreft het toekomstbeeld van een fossielvrije glastuinbouw. Doordat de groei weinig tot niet toenam bij de temperaturen hoger dan 21°C blijft de warmtevraag beperkt. En door te telen met LED’s zal het elektraverbruik bij 80 µmol weinig toenemen ten opzichte van de huidige 40 µmol SON-T. Projectnummer: 20093

Van 01-08-2018 tot 01-08-2019
Afgerond

Belichten phalaenopsis op plantbehoefte

Het ritme van Phalaenopsis kent vier fases per etmaal. In fase III zijn de huidmondjes gesloten, wordt malaat afgebroken, en wordt het uit het malaat vrijkomende CO2 met behulp van licht geassimileerd tot suikers. Fase III duurt 8 tot 10 uur, en in die periode moet de plant het grootste deel van de dagelijkse lichtsom krijgen. Het is niet bekend in hoeverre de intensiteit van het licht een directe invloed heeft op de afbraak van malaat gedurende fase III. De vraag is hoe het patroon van malaatafbraak verloopt gedurende fase III. Verloopt het tempo van de afbraak van malaat volgens een constant patroon ongeacht de lichtintensiteit? Of past het tempo zich aan de lichtintensiteit aan? Indien er sprake is van een constant patroon, dan kan de belichting daarop worden aangepast, niet méér worden belicht dan nodig, en de belichting dus ook al snel worden uitgeschakeld bij voldoende daglicht-instraling. Dit bespaart energie. Indien het tempo zich aan de lichtintensiteit aanpast, dan kan gebruik gemaakt worden van de METEO-module in de klimaatcomputer: Bij lage verwachte instraling moet worden doorbelicht. En bij hoge verwachte instraling later in de ochtend, kan al eerder de belichting worden teruggeschakeld. Het doel van dit project is kennis te ontwikkelen over het effect van lichtintensiteit op het patroon van malaatafbraak gedurende CAM-fase III bij Phalaenopsis in 4 werkpakketten: WP1: Literatuuronderzoek regulering malaatafbraak CAM-planten. WP2: Experimenten, 6 behandelingen uitgevoerd in 6 klimaat-units van ruim 2 m2 netto. Hier zijn twee meetsessies met verschillende niveaus aan licht en ook afgewisseld in één behandeling. Na WP2 volgt een go / no go. WP3: De planten worden verder geteeld tot oogstrijp stadium. Aan het einde van de teelt wordt de plantkwaliteit gemeten. WP4: Om in de praktijk elektra besparende belichtingsregelingen voor de lampen te kunnen toepassen, wordt een schets gemaakt van de ‘ideale teeltstrategie’. De te behalen elektrabesparing op belichting ligt in de orde van 0% (donkere dagen met nauwelijks daglicht) tot meer dan 50% (dagen met 5 of meer mol/m2/dag aan daglicht in de kas). De besparing die mogelijk zou kunnen zijn over een geheel jaar zou zeker in de orde van 20% kunnen liggen. De gewascoöperatie potorchidee draagt € 15.000,- bij aan dit project. Conclusies 1. Is lichtintegratie binnen CAM-fase III mogelijk? Ja, het bleek dat lichtintensiteit bij Phalaenopsis een sturende rol heeft in de snelheid van malaatafbraak. Variatie in lichtintensiteit gedurende CAM-fase III gaf geen verlaging van de CO2-opname ten opzichte van constant licht. Lichtintegratie binnen CAM-fase III is dus mogelijk. 2. Is lichtintegratie over een hele dag mogelijk? Nee, de CO2-opname over een etmaal lag ~25% lager bij behandeling 5 met een lage lichtintensiteit gedurende CAM-fase III en vervolgens een hoge intensiteit in CAM-fase IV. Wel kan er deels worden gecompenseerd door wat meer te belichten aan het einde van de dag als de lichtsom in CAM-fase III onverwacht lager uitvalt. De laatste 2.5 uur lijkt dit geen zin meer te hebben omdat dan PEPC een overheersende rol speelt in de CO2-opname. Een hoog lichtniveau in CAM-fase IV geeft lichtstress. 3. Is lichtintegratie over meerdere dagen mogelijk? Ten dele: Indien het gewas niet zoveel licht krijgt dat de CO2-opname verzadigd is, dan wordt de lagere CO2-opname na donkerdere dagen ten dele gecompenseerd door een hogere CO2-opname op lichtere dagen. De CO2-opname over meerdere dagen lag ruim 10% lager bij behandeling 6 met wisselende lichtsommen per dag. De wisseldag van laag naar hoog licht geeft lichtstress. Projectnummer: 20074

Van 01-07-2018 tot 01-10-2019
Afgerond

Hoe werkt een kalanchoë

Kalanchoë is het op één na grootste product binnen de categorie bloeiende potplanten. Over de bijzondere fysiologische eigenschappen van dit gewas is nog veel onbekend. Behalve dat kalanchoë een korte-dag plant is, kent dit gewas ook twee verschillende vormen van fotosynthese: C3 en CAM. Een aantal fysiologische eigenschappen die bepalend zijn voor een optimale energiezuinige teelt zijn nog niet bekend, of onvoldoende bekend: 1. Wanneer vindt de overgang van C3 naar CAM precies plaats? Of gebeurt dit niet altijd? 2. Kan de tuinder dit moment beïnvloeden met klimaatsturing? 3. Verschilt het moment van switchen van C3 naar CAM ook per ras? 4. Welke fase zet CO2 en licht het meest efficiënt om in groei? Doel van dit project is om een beter begrip van de fysiologie te krijgen en dit geeft tuinders de mogelijkheid om efficiënter licht en CO2 te benutten voor groei. In dit project worden drie verschillende rassen kalanchoë onder geconditioneerde omstandigheden in 4 klimaatkamers geteeld. Er wordt een verschil in RV gemaakt om het moment van switchen te trachten te beïnvloeden (2 units 60% en 2 units 85% RV). Belichting is met kunstmatig daglicht en SON-T onder winterlichtomstandigheden. Wekelijks wordt met geavanceerde fotosynthese-meetapparatuur gemeten aan de verschillende rassen / behandelingen / planten / bladeren al geswitcht zijn van C3 naar CAM. De totale CO2-opname per etmaal in de CAM-fase wordt vergeleken met die in de C3-fase. De kalanchoëtelers financieren 30% van dit project bovenop genoemd bedrag van KaE. RV geeft meer productiviteit Uit het onderzoek blijkt dat een net bewortelde stek CAM-activiteit heeft die afneemt tot twee weken na start korte-dag. Daarna neemt de CAM-activiteit geleidelijk toe. De overgang van C3- naar klassieke CAM-fotosynthese verloopt dus heel geleidelijk. RV bleek weinig invloed te hebben op het moment van overgang, maar een hogere RV (80%) gaf wel meer productiviteit dan 55-60% RV. Tijdens de C3-fase lag de fotosynthese in orde van zo’n 10% hoger en bij de CAM fase tot ca. 26% doordat de huidmondjes verder open staan. De verschillen tussen de gemeten rassen ‘Saja’, ‘Amarillo’ en ‘Siberia’ waren beperkt. De C3-fase was beduidend productiever dan de CAM-fase gerekend in mol CO2 vast gelegd per m2 blad per dag. Forse CO2-besparing De resultaten geven aanleiding tot beperkte besparing aan belichting aan de randen van de dag door de belichting in delen op en af te schakelen. Wel is er forse besparing op CO2 mogelijk door per fase te compartimenteren en dosering aan te passen aan het moment van behoefte vanuit het gewas. Voor de CAM-fotosynthese geldt dat CO2-doseren zinloos is als de huidmondjes dicht zijn. In deze proef waren tijdens de CAM-fase later in de teelt de huidmondjes gesloten tussen ongeveer 10.00 en 14.30 uur. Dit zijn juist de uren dat de zon het hoogst staat, de ramen open staan en CO2-dosering het minst effectief is. Hier kan dus CO2 bespaard worden. Bovenstaande geldt echter alleen voor de CAM-fase en niet voor de C3-fase. Vanuit het oogpunt van CO2-besparing is het dus nuttig om de kalanchoëteelt ook tijdens de korte dag te compartimenteren - de lange dag wordt al in een aparte ruimte uitgevoerd. Door middel van een eenvoudige scheidingswand kan ervoor worden gezorgd dat gedurende het eerste deel van de teelt er wel de hele dag (overdag, dus alleen bij licht) CO2-gedoseerd wordt, terwijl in het laatste deel van de teelt er midden op de dag geen CO2 gedoseerd hoeft te worden en aan de randen van de dag en in de nacht juist wel. Projectnummer: E17006

Van 01-12-2017 tot 01-08-2018
Afgerond

Maximale daglichtbenutting voor minimale belichting bij phalaenopsis

Uit het recent afgeronde onderzoek “Minder belichten Phalaenopsis zonder productieverlies?” blijkt dat niet zozeer de lichtsom van belang is bij Phalaenopsis. Veel bepalender is de timing van de belichting: Het blad neemt CO2 op gedurende ± 15 uur per dag. Gedurende de andere 9 uur er moet voldoende licht beschikbaar zijn. In de periode rondom die uren blijkt een lagere intensiteit (stuur)licht voor voldoende daglengte genoeg, terwijl een kortere daglengte een averechts heeft op de totale CO2 opname per etmaal. Door een dim-strategie toe te passen die afgestemd is op het ritme van de plant, is 32% aan elektra bespaard gedurende de opkweek en afkweek in bovengenoemd onderzoek zonder effecten op de productie. Dit voorstel richt zich op de vervolgstappen: Klimaatkamer: Onderzoek naar besparing in de koeling. Deze periode is nog niet onderzocht vanwege mogelijk negatieve effecten op de bloei. Klimaatkamer: Verdergaande besparing door verschuiven plantritme: Bij de huidige winter-belichtingsstrategie in de praktijk eindigt de cruciale periode, gedurende welke voldoende licht beschikbaar dient te zijn, rond de middag. Veel gratis daglicht blijft zo onbenut. Door volgens een efficiënter schema te belichten kan ±43% (ipv 32%) aan elektra bespaard worden ten opzichte van de praktijk. Toetsing behaalde resultaten tot nu toe in praktijk: De behaalde elektrabesparing zonder productieverlies in het onderzoek 2015/2016 in klimaatkamers is spectaculair. Om toepassing in de praktijk zo snel mogelijk te realiseren is opschaling van klimaatkamers naar een kas van belang. Dat zal plaatsvinden bij Ter Laak. Bijdrage derden: De gewascoöperatie is medefinancier (in kind plantmateriaal n in cash). In de kasproef verschilde het bovengrondse gewicht (blad, stengel en bloemen) en de bloemtakkwaliteit niet tussen de behandelingen, maar was het wortelgewicht wel lager bij de dimbehandeling. Bij één van de vier rassen was het percentage meertakkers significant lager bij de dimbehandeling (-9% bij Jewel). In de klimaatkamerproeven was het percentage meertakkers gelijk. Wel had de controle 0.4-0.9 meer bloemknop op de zijtakken in een kortere teeltduur. Hierbij opmerkend dat in beide proeven kleine verschillen worden uitvergroot doordat tientallen weken achter elkaar de maand december is gesimuleerd. Op basis van de resultaten van beide proeven wordt aanbevolen om bij inpassing van de dimstrategie in de praktijk iets minder de grenzen op te zoeken dan in dit onderzoek gedaan is. Tevens kan het beste worden gedimd op basis van informatie van sensoren die inzicht geven in het dagverloop van de lichtbenutting en/of het huidmondjesgedrag. Hiervoor is reeds een vervolgproject ingezet. Projectnummer: 20041

Van 01-07-2016 tot 01-09-2017
Afgerond

Belichten naar gewasbehoefte voorstudie met proefgewas lelie

In 2014-2015 is kennis uit een aantal onderzoeken gecombineerd in een ‘totaalconcept energiebesparing’. Uit deze proef bleek dat 45% op elektra bespaard kan worden door een lagere intensiteit belichting te compenseren met CO2 dosering, belichting eerder uit te schakelen bij voldoende daglicht aan begin en einde teelt een deel van de armaturen permanent uit te schakelen de temperatuur op te laten lopen bij voldoende instraling en juist minder te stoken bij heel weinig instraling. Het zwakke punt aan de proef was dat de implementatie van punt 2 en 3 ‘op gevoel’ ging. De hypothese achter beide maatregelen was dat de assimilatenvraag volgens een zoge-naamde ’S-curve’ verloopt. Het minder steile verloop van de helling aan begin en einde van de curve duidt op een lagere behoefte aan assimilaten. Juist op die momenten mag de belichting eerder worden af- en of uitgeschakeld. Helaas is het werkelijke verloop van de S-curve voor lelie onbekend. Het achterhalen van deze ontbrekende informatie is een cruciale voorwaarde voor een gedegen energiezuinige teeltplanning. Bovendien is bepaling van de S-curve voor takgewicht, maar ook voor LAI en bladafsplitsing, een voorwaarde voor berekeningen binnen een kas-gewasmodel. In dit project wordt in de winterperiode voor drie rassen de S-curve bepaald. De metingen zullen plaatsvinden in de praktijk. Wekelijks worden de plantlengte, plantgewicht, takgewicht (vers en droog), bol-gewicht (vers en droog), LAI en aantal bladeren gemeten. Het bepalen van de S-curve is een belangrijke voorwaarde om de belichting af te kunnen stemmen op de behoefte aan de assimilaten. Het bepalen van de S-curve is specifiek voor lelie, maar het principe van belichten op basis van de assimilatenvraag volgens die curve is breder toepasbaar. Denk aan gewassen zoals chrysant, lisianthus, bouvardia en bepaalde potplanten. In eerder onderzoek is aangetoond dat bij lelie 45% elektra bespaard kan worden met nauwelijks kwaliteitsverlies. Dit door onder andere CO2 te doseren en minder te belichten op momenten waarop ingeschat werd dat de assimilatenvraag laag was. De exacte vraag naar assimilaten was niet bekend. Dit onderzoek heeft de werkelijke vraag per teeltweek bepaald: wekelijks is drogestof van verschillende plantorganen en LAI gemeten aan vier rassen en vervolgens zijn groeicurves berekend voor de rassen Oriëntal ‘Robina’, Oriëntal Trumpet (OT) ‘Santander’, LA ‘Brindisi’ en Longiflorum ‘White Heaven’. De lelies zijn in de praktijk zo geteeld dat het maximale takgewicht bereikt kon worden. Minder belichten De eerste kasweken is de assimilatenbehoefte laag en teert het gewas op de bol. Het duurt enige kasweken voordat het blad efficiënt licht onderschept. Lampen kunnen dan gedimd branden en bij voldoende daglicht afgeschakeld worden. De laatste weken nam bij ‘Robina’ en ‘Santander’ het bolgewicht weer toe: in die fase kan minder worden belicht mits dit niet ten koste van de bloemkwaliteit gaat. ‘Brindisi’ en ‘White Heaven’ blijft tot oogst toenemen in takgewicht zonder toename van bolgewicht. Minder belichten in de laatste fase is hier niet aan te bevelen. Deze studie biedt de basis voor het parametriseren van een groeimodel voor lelie. Op basis van zo’n groeimodel kan veel preciezer worden bepaald hoeveel op welke momenten belicht moet worden. Projectnummer: E16004

Van 01-10-2015 tot 31-05-2016
Afgerond

HNT 3.0 Van lichtsom naar assimilatensom

Het hoofddoel van dit project is besparen op elektraverbruik door de belichting af te stemmen op de behoefte van het gewas. Zo wordt niet onnodig belicht en kan vooral in de maanden oktober, november, februari en maart kan door doelgericht te belichten fors bespaard worden op het aantal belichtingsuren. Bij tuinders is niet altijd precies bekend wat de productiviteit van hun gewas is (de assimilatenproductie) en het momentane rendement van de belichting aan de ene kant, en aan de andere kant wat aan de vraag naar assimilaten van het gewas is. Het einddoel van dit traject is dat er een voor de kwekers bruikbare tool komt om aanbod van en behoefte aan assimilaten op elkaar af te kunnen stemmen. Dit door regeling van de belichting (sturen aanbod) en temperatuur (sturen vraag). In dit project wordt in eerste instantie gefocust op tomaat. Er wordt gestart met een globaal ontwerp van de tool en koppeling aan een bestaand platform. Het globale ontwerp wordt aan het einde van deze WP gepresenteerd aan een werkgroep van belichtende tomatentelers en geëvalueerd. Bij positief resultaat kan een vervolgproject worden ontwikkeld voor verdere ontwikkeling en validatie van de tool. Met het model Explorer Kasklimaat is onderzocht of een dagelijkse regeling van de belichting energie bespaart. De seizoensbehoefte aan assimilaten van het gewas is geschat door simulatie van volledig belichte seizoenen tussen 1957-1958 en 2014-2015. Gedurende het belichtingsseizoen verandert de assimilatenbehoefte volgens een vrijwel vast patroon. Dat biedt de mogelijkheid om met behulp van de weersvoorspelling aan het begin van elke dag de belichting zodanig af te regelen dat de productie van assimilaten de behoefte niet overschrijdt. Projectnummer: E15011.02

Van 01-04-2015 tot 01-06-2015
Afgerond

Sturen op compactheid zonder bloeivertraging

In de sierteelt wordt met steeds hogere intensiteiten SON-T belicht. Bij een aantal siergewassen wordt niet alleen belicht om de productie te verhogen, maar ook om de kwaliteit te verbeteren. Een belangrijk kwaliteitskenmerk is compactheid. Hoe hoger de intensiteit belichting, hoe compacter het gewas. Dit geldt voor gewassen als snijchrysant, potchrysant, potroos, lelie en kalanchoë. Het is bekend dat rood/blauw LED-licht kan resulteren in een compactere plantvorm dan SON-T. Echter kan rood/blauwe led ook bloeivertraging geven. Door het zoeken naar het juiste spectrum om de juiste fotoreceptoren aan te sturen kan zowel de strekking worden geremd en bloeivertraging tegen worden gegaan. Het hoofddoel van dit project is dan ook om fors te besparen op het elektraverbruik voor belichting van siergewassen. Dit doel wordt bereikt door op basis van kennis over plantkundige processen een strategie te ontwikkelen om met een lagere intensiteit energiezuinige LED belichting minimaal eenzelfde compactheid en teeltduur te behouden als bij de traditionele hogere intensiteit SON-T belichting. Het project bestaat uit: Uitwerken mogelijke belichtingsstrategieën die leiden tot een compactere plantvorm zonder teeltvertraging. Gewassen: potroos, potlelie, potchrysant en kalanchoë. Ook voor perkplanten is het onderzoek relevant Bespreken met belanghebbende kwekers. Op basis van deze bijeenkomst wordt besloten welke voorgestelde strategieën het meest kansrijk worden geacht. Kleinschalig toetsen van de meest kansrijke strategieën in een proefkas (WUR-Bleiswijk). Verslaglegging, workshop. Bij een aantal siergewassen wordt behalve voor productie ook belicht om een compacte plantvorm te bevorderen. Met rode + blauwe LED’s (LED RB) kan gestuurd worden op compactheid, maar bestaat ook het risico op bloeivertraging. In dit onderzoek is getracht om met stuurlicht bloeivertraging tegen te gaan met behoud van compactheid. De korte-dag planten potchrysant en kalanchoë zijn eerst 11.5 uur per etmaal belicht (12.5 uur nachtlengte). Stuurlicht had een gering effect op potchrysant: Onder LED RB bleek een goede kwaliteit te telen ten opzichte van SON-T, maar de planten bleken slechts 1 cm korter. Bij kalanchoë was 12.5 uur nacht krap voor een goede bloei-inductie, waardoor de stuurlicht-effecten op bloei zich juist sterk uitten: LED RB gaf ±10 dagen bloeivertraging. Een korte puls verrood licht aan het begin van de nacht deed die vertraging teniet, maar bij die behandeling waren de planten niet compacter dan bij SON-T. Kalanchoë bij 14 uur nachtlengte (2e proefronde) resulteerde in een goede bloei en slechts geringe stuurlichteffecten. Met LED RB blijkt een goede plantkwaliteit te telen bij voldoende nachtlengte. Zo kan energie bespaard worden. Verkorten van de nacht stimuleert groei (meer licht), maar verhoogt het risico op bloeivertraging. Met verrood stuurlicht op het juiste moment kan bloeivertraging worden voorkomen. In de proef werden alleen de zuivere effecten van lichtkleur onderzocht. Daarom werd de LED-belichting aangevuld met warmtestralers, zodat de planttemperatuur niet afweek van de SON-T behandeling. Mogelijk geeft LED RB zonder de warmtestralers compactere planten door de lagere planttemperatuur overdag. Projectnummer: 15089

Van 01-07-2014 tot 31-07-2015
Afgerond
  • 1