Zoeken

Resultaat 1 tot 10 van 20.

Van CO₂-uitdaging naar CO₂-zekerheid

De aanleiding is duidelijk. Terwijl de glastuinbouw verduurzaamt en steeds minder aardgas gebruikt, neemt ook de beschikbaarheid van externe CO₂ af. WKK’s verdwijnen, industriële CO₂-stromen verschuiven richting opslagprojecten en de sector stevent af op een aanzienlijk CO₂-tekort. Urgentie groeit Liesanne Wieleman van Glastuinbouw Nederland opende de bijeenkomst met een overzicht van de ontwikkelingen. Download de presentatie hier . Binnen Kas als Energiebron loopt momenteel veel onderzoek naar CO₂-dosering, nieuwe bronnen, kwaliteit en opslag. Het uiteindelijke doel is helder: voldoende CO₂ uit duurzame bronnen beschikbaar houden voor de sector. De urgentie neemt toe. Voor de Nederlandse glastuinbouw is naar schatting jaarlijks circa 2,5 Mton CO₂ nodig. Tegelijkertijd worden traditionele bronnen steeds schaarser. DAC wordt daarom steeds vaker genoemd als een van de mogelijke oplossingen. Van concept naar praktijk Volgens Peter van Hooft van Skytree bevindt DAC zich inmiddels niet meer in de experimentele fase. “DAC schaalt op richting de praktijk”, stelde hij. Dat blijkt ook uit de belangstelling voor de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++). Inmiddels zijn er al diverse aanvragen beschikt. DAC biedt volgens hem niet alleen leveringszekerheid, maar kan de sector zelfs helpen om op termijn CO₂-negatief te worden. Door installaties meer uren te laten draaien dan nodig is voor de eigen teelt, kunnen negatieve emissies worden gerealiseerd. Hoe werkt de businesscase? Ot Messemaker van Skytree ging vervolgens dieper in op de techniek en de economische haalbaarheid. De speciaal voor de glastuinbouw ontwikkelde Skytree de Stratus-installatie. Deze direct air capture machine kan jaarlijks minimaal 900 ton CO 2 produceren met een zuiverheid van meer dan 98 procent. Bij grotere CO2 behoefte wordt de configuratie hierop aangepast. Een belangrijk onderdeel van de businesscase is de combinatie van CO₂-productie, energiegebruik en beschikbare subsidies. Slimme thermische integratie kan bijvoorbeeld helpen om de elektriciteitsvraag te verlagen door restwarmte binnen het energiesysteem te benutten. Ook werd duidelijk dat de kostprijs van CO₂ uit bestaande bronnen de komende jaren sterk kan oplopen wanneer bestaande bronnen verdwijnen. Juist daardoor wordt investeren in alternatieve oplossingen steeds interessanter. Geen standaardoplossing Tijdens de bijeenkomst werd meerdere keren benadrukt dat DAC geen standaardoplossing is. Elke situatie vraagt om een eigen analyse van CO₂-behoefte, energievoorziening, beschikbare ruimte, vergunningen en financiering. Daarom werkt Skytree met een voortraject waarin de technische en economische haalbaarheid voor individuele bedrijven wordt onderzocht. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de optimale inpassing, opslagmogelijkheden en subsidiemogelijkheden. Koppert Cress: fossielvrij als stip op de horizon Een inspirerend praktijkverhaal kwam van Bart van Meurs van Division Q bij Koppert Cress . Het bedrijf heeft inmiddels een belangrijke mijlpaal bereikt: de fossiele ketel is overbodig geworden. Met technieken als bodemenergie, aquathermie, zonthermie en geothermie werkt het bedrijf stap voor stap toe naar een fossielvrij energiesysteem. Daarbij blijft CO₂ een cruciale bouwsteen. “DAC is voor ons een logische stap richting de toekomst”, aldus Bart. Tegelijkertijd benadrukte hij dat de sector ook kritisch moet kijken naar efficiënter CO₂-gebruik. Minder nodig hebben én nieuwe duurzame bronnen ontwikkelen moeten hand in hand gaan. Glastuinbouw als energiehub De bijeenkomst maakte duidelijk dat de CO₂-vraag niet los gezien kan worden van de bredere energietransitie. Warmte, elektriciteit, opslag, waterstof en CO₂ komen steeds vaker samen in één integraal energiesysteem. Daarmee ontstaat volgens de sprekers ook een nieuwe rol voor de glastuinbouw: niet alleen als gebruiker van energie en CO₂, maar als actieve energiehub binnen een duurzaam energiesysteem. De conclusie van de middag was helder: de uitdaging rondom CO₂ is groot, maar de eerste oplossingen dienen zich aan. DAC is daarbij geen verre toekomstmuziek meer, maar een technologie die steeds dichter bij de praktijk komt.

Geplaatst op: 29-05-2026

Nieuw rapport over CO₂ uit buitenlucht helpt telers en leveranciers vooruit

Auteur: Alexander Boedijn (Wageningen University & Research)

Onderzoek in Bleiswijk: van techniek naar praktijk De verwachting is dat de beschikbaarheid van fossiele CO₂ uit ketels en WKK’s afneemt. Ook externe CO₂-levering vanuit de industrie staat onder druk, onder andere door een toenemende focus op permanente CO₂-opslag (CCS) in plaats van hergebruik (CCU). Tegelijkertijd blijft CO₂ essentieel voor plantengroei in de kas. Daarom onderzoekt Wageningen University & Research (WUR) hoe Direct Air Capture (DAC) kan worden ingezet om CO₂ uit de buitenlucht te winnen en beschikbaar te maken voor gebruik in de kas. In het Innovatie- en Demonstratiecentrum (IDC) CO₂ uit Buitenlucht in Bleiswijk worden systemen van verschillende DAC-bedrijven getest en gedemonstreerd. Daarbij wordt gekeken naar onder andere: CO₂-kwaliteit capaciteit en concentratie energiegebruik prestaties onder verschillende klimaatomstandigheden praktische inzetbaarheid in de kas Taalbarrière tussen telers en leveranciers Tijdens bijeenkomsten van de begeleidingscommissie, waarin met name telers deelnemen en ook partners uit de DAC-sector aansluiten, viel iets op. Bedrijven buiten de glastuinbouw hebben vaak beperkt inzicht in hoe CO₂ in de praktijk wordt toegepast. Denk aan vragen als: hoeveel CO₂ wordt er gebruikt? wanneer wordt er gedoseerd? welke concentraties worden nagestreefd? welke operationele keuzes spelen daarbij een rol? Hierdoor spreken CO₂-leveranciers en telers niet altijd dezelfde taal. Waar telers denken in kilogram per hectare per uur en daar gevoel bij hebben, rekenen DAC-bedrijven vaak in CO₂-productie per 24 uur. Dat verschil maakt het lastig om elkaar goed te begrijpen. Van verschil naar verbinding Om die kloof te verkleinen en de belangrijkste kengetallen inzichtelijk te maken, heeft WUR een handzaam en interactief rapport ontwikkeld. Het doel: telers en leveranciers dichter bij elkaar brengen en zorgen dat beide partijen beter begrijpen wat er nodig is én wat er mogelijk is. “Door kengetallen en toelichting in context te bieden, ondersteunen we CO₂-leveranciers bij het beter begrijpen van de glastuinbouwsector. Tegelijk helpen we telers om vertrouwd te raken met de principes en mogelijkheden van Direct Air Capture”, vertelt Alexander Boedijn, onderzoeker bij Wageningen Plant Research. “Daarnaast zien we dat dit project de interactie tussen de DAC-sector en de glastuinbouw versterkt. Gesprekken komen op gang en daarmee hopen we zowel toeleveranciers als telers een impuls te geven om CO₂-technologie verder te ontwikkelen en toe te passen als duurzaam en rendabel alternatief.” Bekijk de publicatie Bekijk hier de publicatie: CO₂ From Direct Air Capture For Greenhouse Horticulture . Financiering en coördinatie Dit project wordt uitgevoerd door Wageningen University & Research. Dit project is gefinancierd en gecoördineerd door Kas als Energiebron, een innovatieprogramma van het ministerie van LVVN en Glastuinbouw Nederland. Mogelijk gemaakt door Kennis in je Kas (KijK). De proef is begeleid door telers.

Geplaatst op: 20-04-2026

Hoe je efficiënt CO2 kunt doseren in samenhang met licht en ventilatie

Auteur: Jan van Staalduinen

De beschikbare hoeveelheden licht (PAR) en CO2 hebben beide invloed op het fotosyntheseniveau. Bij hoge lichtintensiteit kan de plant meer CO2 opnemen en omzetten in suikers, dan bij lage intensiteit. De piek ligt voor de meeste gewassen rond de 700 tot 900 ppm; hogere CO2-concentraties leiden ook bij zeer hoge lichtintensiteit niet tot extra opname, omdat de fotosynthese zijn maximum heeft bereikt c.q. verzadigd is. De CO2-concentratie in de buitenlucht is de afgelopen decennia opgelopen tot 420 ppm. In een gesloten kas neemt die concentratie snel af vanwege opname door het geteelde gewas. Metingen in een komkommergewas tonen aan dat er bij een concentratie van 700 ppm zo’n 21% meer fotosynthese plaatsvindt dan bij 400 ppm (rekent makkelijker dan 420 ppm), terwijl dit bij 300 ppm 16% minder is. Niet doseren kan dus veel kosten. Rekensom Hoeveel CO2 je idealiter moet doseren, hangt af van meerdere factoren: Het potentiële fotosyntheseniveau gegeven de beschikbare hoeveelheid licht; De verwachte meeropbrengst van (verdere) concentratieverhoging; De benodigde hoeveelheid CO2 in kg/uur om die concentratie te realiseren en vast te houden (denk aan de gewasopname en ventilatieverliezen); De kostprijs daarvan. Het ventilatievoud (raamstand) is in deze rekensom een belangrijke variabele, want hoe hoger het ventilatievoud (hoe groter de raamstand), des te meer CO2 het kost om een concentratie boven het buitenluchtniveau te handhaven. Anderzijds zal in een situatie zonder doseren een (zeer) hoog ventilatievoud juist helpen om het fotosynthese- c.q. opbrengstverlies te beperken, omdat er dan meer aanvulling plaatsvindt via luchtuitwisseling. CO2-rendement Hoe hangen deze variabelen met elkaar samen? In de workshop werd dat met verschillende rekenvoorbeelden uitgelegd. Het complexe geheel werd met modellen van Plant Lighting inzichtelijk gemaakt voor evenwichtsberekeningen en kosten/batenanalyses. Een interessant kengetal is in dit verband het CO2-rendement. Dit is het percentage van de gedoseerde CO2 dat door het gewas wordt geassimileerd. Doseren op rendement sluit aan bij de kosten/batenbenadering en drukt ook de relatie met licht uit. Bij meer licht is meer dosering nodig voor behoud van het CO2-rendement. Hogewoning vatte het als volgt samen: welke kant gaat de balans meer/minder CO2 doseren uit bij: Lager ventilatievoud -> Meer doseren Minder licht -> Minder doseren Hogere CO2-prijs -> Minder doseren Lagere productprijs -> Minder doseren Paprikaproef Bij Delphy IC is dit model toegepast in een vrijwel fossielvrije paprikateelt (’23-’24, ras Alzamora) met als doel om zo efficiënt mogelijk CO2 te besparen. De proef gebruikte CO2 uit Direct Air Capture met de Skytree Cumulus, onderdeel van een parallelle demoproef. Het doel was om maximaal 15 kg/m2 CO2 te doseren over een heel seizoen. Hiervoor volgde en beoordeelde men verschillende strategieën. Er is gestuurd op streefconcentratie in samenhang met het ventilatievoud en op maximale doseersnelheid in samenhang met het lichtniveau. Bij oplopend ventilatievoud beperkte men de dosering, met een ondergrens op een ventilatievoud van 5/uur. Lichtafhankelijk werd de doseersnelheid verhoogd van maximaal 40 tot maximaal 120 kg CO2/ha/uur bij een stralingsniveau van 700 W/m2. De doseerbeperkingen werden vanaf week 20 effectief. Uiteindelijk is er in de proef 13,6 kg/m2 CO2 gedoseerd, ruimschoots onder het gemiddelde praktijkniveau. De opbrengst bleef steken op 32 kg/m2, 10% minder dan verwacht. Dit wordt in belangrijke mate verklaard door een teruglopend gemiddeld vruchtgewicht, met name in het deel van de proef dat op steenwol lag en waarvan de laatste zetting mislukte door wortelproblemen. In het deel van de proef dat op organisch substraat lag, waren de resultaten beter. De onderzoekers concludeerden dat beperkende doseerstrategieën altijd ten koste gaan van de fysieke opbrengst, maar dat slimme stuurstrategieën wel degelijk tot betere financiële uitkomsten kunnen leiden. Slimme stuurstrategie: RTA Een slimme stuurstrategie die uitkomst kan bieden is de RTA-benadering. Uitgangspunt is daarbij dat je bij een geknepen raamstand die in een hogere kastemperatuur resulteert, per graad temperatuurstijging een 100 ppm hogere CO2-concentratie kunt aanhouden om eenzelfde RTA te realiseren als in een kas zonder geknepen raamstand. Deze strategie is door Plant Lighting ontwikkeld en in ’23 toegepast in een komkommerproef bij Botany. De gewogen CO2-concentratie kwam in deze proef 20% hoger uit, terwijl er juist 10% minder was gedoseerd. Behalve een leuke besparing op CO2 leverde dit 3% meer fotosynthese op en 4% productiewinst. Bijeenkomsten Botany en Hortitech Slimme doseerstrategieën en modelberekeningen voor CO2 hebben dus duidelijk perspectief, maar dienen nog verder verkend te worden. Tijdens de themamiddagen over CO2 voor telers en adviseurs bij Botany (3 juli) en Hortitech (9 juli) krijg je hier meer informatie over van Plant Lighting en B-Mex.

Geplaatst op: 04-07-2025

Kennisevent CO2: ‘CO2 als sleutel voor verduurzaming’

Auteur: Jan van Staalduinen

Het event werd geopend door Alexander Formsma, beleidsspecialist Energie & Klimaat van Glastuinbouw Nederland. Hij schetste de actualiteit rond het convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022-2030 en de lastenverzwaring voor ondernemers die met de vergroening van de sector gepaard gaat. Geen ontheffing voor ETS2 en bijmengverplichting Ondanks brede erkenning voor de inzet van de sector op energiebesparing en het verduurzamen van de energievoorziening, heeft het (demissionaire) kabinet toch besloten de Nederlandse glastuinbouw onder het ETS2 te laten vallen en de bijmengverplichting groen gas. Omdat beide maatregelen niet nodig zijn om de emissiedoelen van de sector te halen, heeft de overheid zichzelf de voorwaarde gesteld om alles te compenseren. Het plan hiervoor wordt bij de voorjaarsnota van 2026 gepresenteerd. Toch erkenning en steun Het krediet dat de sector met zijn jarenlange inzet en bewijs van goed gedrag heeft opgebouwd, wordt daarentegen nog steeds vertaald in ruimhartige overheidssteun voor kennis en innovatieprogramma’s zoals Kas als Energiebron en in verschillende subsidieregelingen die bedrijven helpen om door te pakken op energiebesparing en verdere vergroening. De intentie om bedrijven voor ETS2 te compenseren is uitgesproken, over de wijze waarop wordt nog gestudeerd. Glastuinbouw Nederland blijft zich hier keihard voor inzetten. Lopende projecten en initiatieven Formsma gaf een beknopt overzicht van lopende, CO2-gerelateerde onderzoeksprojecten en bijeenkomsten voor kennisoverdracht. Hij nodigde telers nadrukkelijk uit om deel te nemen aan de kennismiddagen over dit thema bij Botany in Horst (3 juli) en bij Horti-Tech in Honselersdijk (9 juli) , die een hoog praktijkgehalte krijgen. De beleidsspecialist sloot zijn betoog af met de constatering dat de sector over vijf jaar 2 Mton externe CO2 nodig heeft om op koers te blijven. Het vergt veel extra inspanningen en ondersteunend overheidsbeleid om het pad daarvoor te effenen, zeker nu Shell zich heeft teruggetrokken uit OCAP en er de voorkeur aan geeft om CO2 onderzees op te slaan. Belangrijke aandachtspunten zijn volgens Formsma: Een eerlijke balans tussen CCU (carbon capture and utilization (=aanwending, zoals via OCAP) en CCS (carbon capture and storage (bijvoorbeeld opslag in lege gasvelden op de Noordzee). Het optimaliseren van de SDE++ regeling. Intensieve samenwerking met afvalverwerkingsinstallaties (AVI’s) voor meer CO2-levering aan de tuinbouw. Het opstellen en ten uitvoering brengen van een concreet CO2-actieplan, in samenwerking met LVVN en KGG. Daarnaast waren er presentaties over autonoom, efficiënt CO2 doseren door Jeroen Boonekamp van B-Mex en pilots met CO2-winning uit buitenlucht (Direct Air Capture) en aanwending van afgevangen CO2 uit de scheepvaart (kwaliteitstoetsing) door Alexander Boedijn en Janneke Grit van Wageningen University & Research. Externe bronnen Tijdens de pauze was er een bedrijvenmarkt met aanbieders van diensten en producten voor efficiënte CO2-doseersoftware, DAC en externe CO2-voorziening. Daarna volgden presentaties door klimaatadviseur Peter Simoës namens de Verening van Afvalbedrijven en Projectmanager Green Gas Ruud Paap namens New Energy Solution, een Noord-Nederlands PPS waarin meer dan 120 organisaties samenwerken ten behoeve van hernieuwbare energie en aanwending van groene CO2 uit voornamelijk vergisters van mest en biomassa. Gedeelde belangen Zowel afvalverwerkers als groengasproducenten kijken met interesse naar de glastuinbouw als mogelijke afnemer van CO2 (via het CCU-spoor). Dat heeft al geleid tot enkele samenwerkingsprojecten. Verbreding en verdere uitrol daarvan is vanwege de grote behoefte aan externe, hoogwaardige CO2 de komende jaren noodzakelijk. Hoewel afvalverwerkers en groengasproducenten daar mogelijkheden voor zien, worstelen ze ook met economische en juridische knelpunten. Net zoals de glastuinbouwr wijzen zij op de noodzaak van een doordacht overheidsbeleid en flankerende maatregelen (zoals gerichte subsidies) om CCU en CCS in balans te houden en niet gedwongen te worden om eenzijdig voor CCS te kiezen. Om door te kunnen pakken, moeten Glastuinbouw Nederland, afvalverwerkers en (andere) hernieuwbare energieproducenten hun gedeelde belangen en gewenste maatregelen in Den Haag en Brussel op tafel te leggen, zo luidde de conclusie. Lukt dat niet, dan zal de CO2-sleutel niet goed in het slot passen van de verduurzaming van de glastuinbouw.

Geplaatst op: 02-07-2025

Duidelijke gewasreacties in proef met verschillende CO2-doseringen in tomaat

Auteur: Door: Pieter de Visser en Arie de Gelder, Wageningen University & Research, BU Glastuinbouw

In de proef beperken onderzoekers het verlies van CO 2 . Dat gebeurt door een verlaagde doseersnelheid toe te passen in combinatie met een lager setpoint voor de CO 2 -concentratie. Door deze combinatie zal de CO 2 -concentratie bij ramen dicht verschillen in niveau. Terwijl in de zomer bij grote raamstanden wordt verwacht dat in twee afdelingen de concentratie CO₂ iets boven de buitenlucht zit en onderling weinig verschillen, de behandeling met geringe dosering zal op buitenlucht concentratie zitten of zelfs lager. Dit wordt ook gemeten. De verwachting is dat het gewas zich aan de lage concentraties aanpast door de CO 2 efficiënter te benutten. Het resultaat van de doseerstrategie is een groot verschil in totale doseerhoeveelheden en de vraag is hoe het gewas reageert in ontwikkeling en productie. Goed vergelijk De overige teeltaspecten zijn zoveel mogelijk gelijk gehouden tussen de behandelingen, om een goed vergelijk in CO₂-reactie mogelijk te maken. Geteeld wordt het ras Merlice met een de stengeldichtheid van 2.5 m -2 , het kasdek heeft diffuus glas, de ventilatietemperatuur is gelijk en de doseertijd tussen 1 uur na zon op tot 1 uur voor zon onder. Afhankelijk van de plantbelasting wordt er op 5 of 6 vruchten gesnoeid en al dan niet meer blad geplukt, zodat het gewas er altijd goed bij staat. Plantbiomassa gaat verschillen Tot begin augustus zijn duidelijke verschillen in totale dosering gerealiseerd (7, 17 en 31 kg/m2) en daarmee ook aanzienlijke concentratieverschillen in CO 2 tussen de behandelingen. Plantverschillen zijn medio juni gemeten: van laag naar hoog CO 2 is de biomassa (g per plant) van blad en stengel groter, verschilt de vruchtmassa weinig en is het bladoppervlak kleiner (door korter blad) en bevat meer droge stof (zie tabel in bijlage). Een zwaardere stengel en dikker blad duiden op een overproductie aan assimilaten die niet naar de vruchten kan. De planten in hoog-CO 2 hadden medio juni 50 gram per m 2 (5%) meer droge stof dan de laag-CO 2 . Vergelijkbaar met meetveldjes In proeven van Nederhoff in de jaren negentig is ook al korter blad gevonden als het CO 2 -aanbod veel hoger was dan de plant aan kon. Met meer stengels zou het overaanbod wel worden benut, maar dat is bij de opzet - omwille van de vergelijking met de andere behandelingen - niet gedaan. Tot nu toe zijn de cumulatieve vruchtproducties in midden- en hoog-CO 2 vergelijkbaar met de meetveldjes, laag-CO 2 loopt hier ruim 5% op achter. De proef loopt nog tot eind oktober. Na de zomermaanden zijn de ramen wat minder ver open en zullen er weer duidelijke CO 2 -verschillen optreden tussen de behandelingen en de uitkomsten beïnvloeden. Het is dus nog afwachten voor de eindconclusie. Geen beperkende factor Past het gewas zich aan aan een lagere CO 2 -concentratie? Ja en nee. We zien meer huidmondjes per cm 2 blad bij de laag-CO 2 ten opzichte van de andere CO 2 -behandelingen, terwijl de huidmondjesgrootte niet verschilt. Ook in eerdere proeven is dit gevonden als de gemiddelde CO 2 -concentratie overdag minimaal 200 ppm verschilt. Dit leidt echter niet tot meer fotosynthese en is blijkbaar geen beperkende factor. Verwacht werd een aanpassing in de CO 2 -verwerking door het enzym Rubisco en die werking lijkt niet te verschillen: de fotosynthese eigenschappen zijn in het bovenste bladpakket niet verschillend tussen de behandelingen, maar onderin lijkt juist bij hoog-CO 2 het blad efficiënter met CO 2 om te gaan! Dit is waarschijnlijk het gevolg van het dikkere blad, met meer chlorofyl per eenheid oppervlak. Onderzoekers gaan door met fotosynthesemetingen in september en met enkele extra metingen, onder andere aan chlorofyl- en stikstofgehalte, en vervolgen de plantontwikkeling en oogst. Pas na deze metingen zijn conclusies over de benutting van CO 2 door de drie behandelingen mogelijk. Op de foto: de CO 2 verdeelslang voor OCAP CO 2 hangt op ongeveer 1 meter boven de teeltgoot. Dit onderzoek is gefinancierd door het onderzoeksprogramma Kas als Energiebron, het innovatie- en actieprogramma van Glastuinbouw Nederland en het ministerie van LNV.

Geplaatst op: 17-08-2020

Monitoring huidmondjesopening: stomatasensor is robuuste, betrouwbare en betaalbare methode

Auteur: Govert Trouwborst (Plant Lighting)

Daarnaast geeft het onderzoek inzicht in de energie- en waterbalans van het gewas waardoor het indicaties geeft voor het moment van watergift, sluiting van het schermdoek, ofwel aansturing van de vernevelinstallatie. Ontwikkeling Dit project beoogt de ontwikkeling van een robuuste, betrouwbare en betaalbare methode om huidmondjesopening in een kassituatie vast te stellen bij middelmatig (paprika) en laag verdampend gewas (anthurium). Naast een beoordeling van verschillende modellen en meetsystemen werden er ook validatie-metingen gedaan aan de al bestaande (en eventueel aangepaste) stomatasensor, ontwikkeld door LetsGrow. Infraroodstraling Bij anthurium is ontdekt dat de infraroodstraling een belangrijke factor is in de energiebalans. Alleen als deze wordt meegenomen in de energiebalans, geeft dit goede resultaten. Dit zou eenvoudig moeten kunnen met een netto stralingsmeter, maar moet nog wel worden getoetst. Bij paprika gaf de stomatasensor goede resultaten en vergelijkbaar met de Li-6800 (meetapparatuur voor onderzoek). Ook bij paprika zou een netto stralingsmeter theoretisch gezien beter zijn. Goede methode Het is gebleken dat de stomatasensor een robuuste, betrouwbare en betaalbare methode kan bieden om de huidmondjesgeleidbaarheid te bepalen in een kassituatie. De berekeningen van de stomatasensor, maar ook van welk ander model dan ook, zijn wel afhankelijk van de sensoren die in de kas beschikbaar zijn. De betrouwbaarheid van de sensoren en de representativiteit van de meetplaats voor het gewas als geheel zijn daarbij erg belangrijk. Het project wordt uitgevoerd door Plant Lighting en gefinancierd door het programma Kas als Energiebron. Dit is het actie- en innovatieprogramma van het ministerie van LNV en Glastuinbouw Nederland.

Geplaatst op: 30-03-2020

Gewasverdamping bij de kop II

Dit project is een vervolg op “ Verdamping bij de kop I ” en de uitstralingsmonitor . Bovendien sluit het aan bij de activiteiten gericht op het onderwijs vanuit Kas als Energiebron. Doel Uitbreiding van het gewasverdampingsmodel met rekenregels per bladlaag om de gewasverdamping in het educatieve simulatie programma Kassim nauwkeuriger en adequater te benaderen. Beter inzicht in de gewasverdamping en de gevolgen van maatregelen daarop kan nu al in de praktijk helpen bij het terug dringen of nauwkeuriger bepalen van de inzet van warmte (e minimumbuis) voor gewasactivering. Aanpak De metingen aan gewasverdamping worden uitgevoerd aan tomaat, gerbera en potanthurium afdelingen met bestaande proeven en in de demokassen met fossielvrije teelten. In de metingen wordt de relatie gelegd met gewasopname van CO2, het vermogen van de plant (via de wortels) om voldoende water op te nemen en via sapstroomanalyse de rol van het interne watertransport. Ook de verticale temperatuuropbouw (in tomaat) is onderdeel van de studie. De metingen worden benut voor uitbreiding van het beschrijvende gewasverdampingsmodel. Het doel is om ook voor gematigde zomer- of lichtomstandigheden het model valide te krijgen. Projectnummer: 20140

Van 01-01-2020 tot 31-12-2020
Afgerond

Update: Ontrafeling van het mysterie van de kalanchoë

Auteur: Arthur van den Berg

De volgende onderzoeksvragen kwamen aan bod: Wanneer vindt de overgang van C3 naar CAM precies plaats? Of gebeurt dit niet altijd? Kan de tuinder dit moment beïnvloeden met klimaatsturing? Is het moment van switchen van C3 naar CAM ook genetisch bepaald, met andere woorden: verschilt het misschien ook per ras en per veredelaar? Welke fase zet CO 2 en licht het meest efficiënt om in groei? Men gaat er vaak vanuit dat de C3-fase het meest efficiënt is, maar bij een nachtlengte van 14 uur is dat nog maar de vraag, want de plant heeft daardoor veel tijd voor opslag van CO 2 als malaat. De proef startte met onbewortelde kopstekken die drie weken in de lange dag hebben gestaan. De net gesneden stekken bleken als C3 te functioneren. Op het moment van aanslaan zo’n 14 dagen later, was er enige CAM-activiteit aanwezig. Deze activiteit verminderde in de drie weken die daarna volgden. Het dieptepunt lag op 2 weken in de korte dag. Na 3 weken korte dag nam de CAM-activiteit geleidelijk weer toe. Uit 24-uursmetingen van de CO 2 -opname bleek dat de eerste stap naar het CAM-proces het vastleggen van de nachtelijke respiratie is in malaat (CAM-cycling). Midden op de dag werd dit malaat weer afgebroken. Dit was te zien aan een dal in de C3-fotosynthese midden op de dag terwijl de lichtbenutting van de fotosynthese juist het hoogst lag. Naarmate de tijd vorderde, werd de CO 2 -opname in de nacht steeds hoger en het dal in de C3-fotosynthese midden op de dag steeds dieper en breder. Uiteindelijk verliep de eerste 2 uur en de laatste 3 uur via directe C3-fotosynthese (CAM-fase II en IV) en waren de 5 uur midden op de dag de huidmondjes gesloten (CAM-fase III). De praktische relevantie van deze metingen voor onder andere CO2-dosering en manier van belichten is besproken tijdens de BCO en bij de excursiegroep en wordt tezamen met het beantwoorden van de bovengenoemde onderzoeksvragen opgenomen in het eindrapport. Lees meer via dit onderzoek via onderstaande link. Dit onderzoek wordt gefinancierd door Kas als Energiebron en de gewascoöperatie kalanchoë. Kas als Energiebron is het innovatie- en actieprogramma van LTO Glaskracht Nederland en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Geplaatst op: 26-06-2018

Potplantenteelt optimaal klimaatneutraal

De groene potplantenteelt kan worden gekarakteriseerd als een extensieve teelt. Naast een piekverbruik van warmte in koude (nacht), is de lage lichtbenuttingsefficiëntie, doordat veel licht wordt weggenomen, een eigenschap van deze teelt. CO 2 dosering is geen gemeengoed omdat informatie over de efficiëntie daarvan voor veel gewassen ontbreekt. Het doel van dit project is om klimaatneutraal teeltconcept op te stellen en te demonstreren en meer kennis te ontwikkelen rondom licht- en CO2 benutting van verschillende potplantensoorten. Er zijn 3 werkpakketten: Werkpakket 1. Opstellen teeltconcept “klimaatneutrale potplantenteelt”. In overleg met de Club van 100 en telers zal een klimaatneutraal teeltconcept worden opgesteld. Gedacht wordt aan een aantal groene plantensoorten (Draceana, Schefflera, Calathea, Croton) vanwege dat die meer licht kunnen benutten dan in de praktijk gegeven wordt. Daarnaast lijkt vanuit technisch oogpunt een kasinrichting met warmte-koude opslag waarbij overtollige warmte geoogst wordt een geschikte manier om de energiehuishouding klimaatneutraal te maken. Werkpakket 2. Uitvoering van teeltconcept. In een kasproef met 2 afdelingen (144 m2) van 7 maanden wordt het teeltconcept uit WP1 getoetst aan een praktijkteelt. Vragen die hierbij beantwoord moeten worden zijn o.a.: Hoe efficiënt gaan de verschillende plantensoorten om met de aangeboden lichtintensiteiten? Leiden de in WP1 gestelde klimaatcondities tot optimaal functioneren van de plantbalansen? Treedt er licht- en/of vochtstress op? Zo ja, bij welke grenzen, en leidt dit tot visuele schade? Hoeveel energie en CO 2 kan er worden bespaard met dit teeltconcept? Er zullen 6 plantensoorten continu gemonitord worden om te bepalen wanneer en welke soorten lichtstress ondervinden. Tevens zullen er fotosynthese metingen worden gedaan om te bepalen hoe efficiënt de planten omgaan met de aangeboden lichtintensiteiten, CO 2 concentraties en luchtvochtigheid. In opeenvolgende teeltrondes (in totaal tenminste 2) kunnen bevindingen leiden tot aanpassing en optimalisatie van het teeltconcept. Het energieverbruik, productie, teeltduur en sierwaarde zal vergeleken worden. Werkpakket 3. Rapportage en communicatie Vanuit de Club van 100 is er besloten om in 2018 een proef te doen waarin wordt gedemonstreerd dat er in de groene potplantenteelt meer licht kan worden toegelaten. Met extra financiering vanuit Kas als Energiebron kan er echter veel meer onderzocht worden en toegewerkt worden naar een klimaatneutrale teelt. Inzet vanuit de Club van 100 is € 73.500,- De fotosynthesemetingen worden uitgebreid, en aangevuld met metingen met de CrobObserver (gedetailleerde monitoring van lichtbenutting en stress, zowel in tijd als resolutie). Met deze aanvulling kan tevens een eerste gewasgroeimodel voor de geselecteerde potplantgewassen worden ontwikkeld. Dit model, met de juiste fotosynthesekennis, kan worden gebruikt bij de ontwikkeling van een integraal teeltconcept. Projectnummer: 20079

Van 01-04-2018 tot 31-03-2020
Lopend

Optimalisering CO2 benutting en dosering

In de afgelopen jaren is de input van fossiele energie in de glastuinbouw gestaag gedaald door ontwikkelingen zoals Het Nieuwe Telen en het gebruik van aardwarmte. Daardoor neemt ook de beschikbare hoeveelheid CO 2 als bijproduct van aardgas af, en moeten telers meer gebruik maken van alternatieve bronnen van CO 2 (OCAP, zuivere CO 2 inkopen). Daarmee wordt het efficiënt benutten van CO 2 door het gewas en het minimaliseren van het verlies van CO 2 nog belangrijker dan het al was. De vraag is welke mogelijkheden er teeltkundig zijn om het gebruik van CO 2 door te plant verder te optimaliseren en de dosering te minimaliseren. Het doel van dit project is het opstellen van een teeltstrategie voor een teelt van tomaat (als voorbeeldgewas) met 12 kg CO 2 /m 2 /jaar in 3 werkpakketten: WP 1. Nieuwe inzichten. In dit werkpakket worden de huidige kennis geanalyseerd. Hierbij wordt gekeken naar de vorming en functioneren van de huidmondjes, bladstructuur, opname en binding van CO2 in de plant en hoe dat gestuurd kan worden. Daarnaast wordt ook de invloed van hoog lichtdoorlatend scherm op zonnige dagen op het binnenhouden van CO2, de verdeling van CO2 in het gewas en de invloed van het doseersysteem en de relatie van CO2 dosering met licht en luchtvochtigheid meegenomen. WP2. Optimale doseerstrategie. Er worden model berekeningen gedaan met een gecombineerd gewas- kasklimaat model om tot een optimale doseerstrategie te komen. Daarbij wordt de beschikbare CO₂ als gegeven gehanteerd en wordt de CO₂ ingezet voor optimale productie. Daarbij hoort ook hoe deze strategie in de praktijk kan worden geïmplementeerd. De vragen die beantwoord moeten worden, zijn: Wat is het netto effect van lagere lichtintensiteit en hogere CO₂ concentratie? Wat is het effect van vermindering van ventilatie zodat met de juiste combinatie van vocht, temperatuur, licht en CO₂ wordt geteeld om het optimale rendement uit de CO₂ te halen? Wat is het effect van CO₂ beperking in de morgen. Kan de plant de later op de dag gedoseerde CO₂ beter benutten? WP3 Teeltstrategie met 12.5 kg CO₂ per m 2 voor een onbelichte tomaten teelt. De resultaten van WP 1 en WP2 worden gebruikt om een teeltstrategie te beschrijven voor een tomaten teelt met 12.5 kg CO₂ per m 2 voor een onbelichte tomaten teelt. WP 4: Kennisoverdracht en communicatie en rapportage Als dit project succesvol is, zou de volgende stap een demonstratie in een proefkas kunnen zijn. Projectnummer: 20076

Van 01-04-2018 tot 31-12-2018
Afgerond